Hoe kan het, Karl, dat jij zo goed begreep wat mij kwelde?

Dag Karl,

Meer dan een jaar geleden schreef je me in de Krant van West-Vlaanderen een brief. De overtreffende trap van ‘slecht’ kan niet beschrijven hoe het op dat moment met me ging. In Hersenorkaan, de roman over mijn eerste depressie, schreef ik dat in een duistere kelder was beland. Deze keer was ik in de hel terechtgekomen. Ik was daar open over op Twitter, zoals ik dat altijd over mentale problemen ben geweest. Jij had dat gelezen; het had je geraakt; meer nog, je maakte je zorgen en kroop in je pen.

Je kan niet geloven hoeveel deugd je woorden me toen hebben gedaan. Hoe ze me kracht gaven. Hoe ze me weer in mezelf deden geloven. Hoe ze me troostten.

In de inleiding van je brief stond het volgende: ‘Ann mag altijd antwoorden.’ Ik kon het niet. Niet toen. Niet met al die demonen in mijn hoofd. Niet met al die angsten. Niet met al die vreemde gedachten waarvan ik me nu afvraag hoe een brein die in godsnaam kan produceren. Later, dacht ik, later zal ik antwoorden.

Later is nu – nu het weer goed met me gaat. Ik heb het gevoel dat ik je een antwoord verschuldigd ben, een uitleg, een update; geen bericht uit de hel deze keer, maar een stille vreugdekreet. Want ja, ik sta er weer, hoewel ik nooit gedacht heb dat het me zou lukken. Ik heb het niet alleen gedaan. Er waren de mensen om me heen, dichtbij – mijn ouders, mijn vrienden – en veraf – ‘kennissen’ zoals jij, en zelfs volslagen onbekenden op Twitter. Er was mijn psychiater en er was de medicatie – maar bovenal was er mijn wilskracht om weer te worden wie ik altijd al was: een schrijfster met brandende ambitie.

Ambitie. Hoewel we mekaar niet goed kennen, legde je in je brief precies de vinger op wat er toen de oorzaak van was dat ik zo diep zat:

‘Ik heb al jaren bewondering voor wat je creëert: ontroerende vorm geworden doorleefde emotie met letters, lettergrepen en woorden. (…) Prent jezelf vooral niet in dat je faalt, lieve Ann. Als ongeduld de bron van je angsten is, is dat nergens voor nodig. Gaat het naar jouw mening niet snel genoeg? Ik weet het niet, maar ik voelde brandende ambitie toen we mekaar hebben ontmoet. Je was klaar om de literaire wereld te bestormen en je bent dat nog altijd. Het talent druipt van je vingers en klavier. En als dat niet gebeurt, is dat ook maar zo.’

Hoeveel keer heb ik die zinnen niet herlezen? En gedacht: hoe kan het dat Karl, met wie ik inderdaad om de paar maanden gewoon een bericht uitwissel, en die ik maar twee keer in het echt heb ontmoet, zo goed aanvoelt waarom alle zin in het leven op een bepaald moment uit mij verdwenen was, zozeer zelfs dat ik er gewoon niet meer wilde zijn? Want ja, het had alles met die ambitie te maken. De eerste depressie was rouw om het verlies van een grote liefde, maar de tweede had alles met werk te maken. Toen De Morgen in 2021 besloot om een punt te zetten achter mijn column, was de klap enorm. Ik had vijftien jaar voor hen geschreven, en de laatste twee jaar mocht ik twee keer per week een column voor de papieren krant schrijven. Dat maakte me zo trots: ik was altijd een schrijver willen zijn die midden in de samenleving staat, en een plek in een krant geeft je die kans.

Ik was niet kwaad op De Morgen. Ze hebben me zoveel kansen gegeven. Ik begreep hen: besparingen. En ik vermoed dat ze ook gedacht hebben dat vijftien jaar dezelfde columniste onder dak hebben toch een lange periode is. Ook dat begreep ik. Ik kreeg hartverwarmende mails van lezers die zeiden dat ze me zouden missen, maar dat verzachtte de pijn niet.

Vanaf dat moment verloor ik mijn evenwicht. Ik ging twijfelen aan mezelf. Voelde hun beslissing aan als een afwijzing. Ik had gefaald. Er moest wel iets mis met mij zijn. Het deed mijn geloof in mijn schrijverschap, dat voor mij alles betekent, wankelen. Ongeveer op dat moment antwoordde Herman Brusselmans dit op de vraag wie hij de meest onderschatte schrijver van de Nederlandse letteren vond: ‘Ann De Craemer’. Een paar maanden letter, Guido Belcanto: ‘Ann De Craemer is een van onze meest ondergewaardeerde auteurs.’

Ik, met mijn brandende ambitie, ging steeds meer geloven dat het me nooit zou lukken: ‘de literaire wereld bestormen’, zoals jij in je brief schreef. Ik had dat nochtans al gedaan: lovende recensies gehad in Vlaanderen en Nederland; de Bronzen Uil Publieksprijs gewonnen; genomineerd voor de Debuutprijs. Maar de verkoopcijfers waren nooit denderend, en ik was geen schrijver geworden, dacht ik, om mij met een paar duizend verkochte exemplaren per boek tevreden te stellen.

Voilà. Nu weten jij, en mijn lezers, waar het toen is misgegaan. Ik had gefaald en ik zag niet meer hoe ik het kon ‘goedmaken’. Als ik niet meer in mijn pen geloofde, had het leven voor mij geen zin meer.

De weg terug uit de hel was…nou ja, de hel. Zeker een halfjaar lukte het me niet meer om te schrijven. Mijn hoofd was een te grote puinhoop. ‘Zie je wel,’ zei ik tegen mezelf, ‘je kan het niet meer.’ Ik moet op mijn blote knieën mijn psychiater bedanken, die keer op keer mijn tranen zag en antwoordde: ‘Geduld, Ann. Geef het tijd. Het komt terug, echt waar.’

Eigenlijk zei hij wat jij eerder had geschreven: ‘Pak je tijd Ann, laat je meedrijven op de ochtendbries.’ Elke dag vocht ik terug: met een paar zinnen op papier was ik al tevreden. Hoe meer zinnen er kwamen, hoe meer de hemel opklaarde, en hoe meer ik die ochtendbries begon te voelen. De novelle waarmee ik voor ik ziek werd was begonnen, heb ik vorige week naar mijn uitgeverij gestuurd. Het geloof in mezelf is terug, net als de ambitie. Er branden weer lichtjes in mijn ogen en ik heb vertrouwen in het leven. Komt wat komt. Ik kan alleen maar mijn best doen, en de rest heb ik niet in de hand.

Lieve Karl, duizendmaal dank om zo goed aan te voelen wat me pijn deed. Duizendmaal dank om het woord tot me te richten. Duizendmaal dank om in me te geloven.

Ik citeer je een laatste keer:

‘Soms is jouw pijn de mijne, een andere keer wil ik je gewoon een duw tegen je zadel geven zodat je de Poelberg in Tielt moeiteloos naar boven fietst.’

Zullen we samen de Poelberg beklimmen? Ambitieus als we beiden zijn, zullen we om ter eerst boven willen komen. Maar wie er ook wint; ik zal op de top doen wat ik al lange tijd wil doen: je stevig vastpakken.

Met veel warmte en genegenheid,

Ann

Column ‘De Morgen’: ‘Maar kind, ze is niet dood’

Nare dromen zijn als slapende vulkanen. Zoals de bewoners aan de voet daarvan er zelden aan denken dat die eeuwige heersers hen op een dag uit hun slaap kunnen houden, zo beseft de mens die geplaagd wordt door een terugkerende nachtmerrie dat die ergens nog wel sluimert in zijn geest, maar dan hopelijk in een kelder van zijn geheugen die zo is ingebetonneerd dat de kans dat de droom zich opnieuw naar buiten wurmt verwaarloosbaar is. Lees verder

Column ‘De Morgen’: Een emmer uit de oceaan

Om vat te krijgen op de oceaan van seconden die ons zijn voorafgegaan en nog zullen volgen, verdelen we de tijd in eeuwen, en de eeuwen in jaren. Misschien is nieuwjaar wel de opgestoken middelvinger van de mens in het grijnzende gezicht van de tijd: als zand glijdt die steeds door onze vingers, maar bij elk nieuw jaar doen we onszelf geloven dat we de klok even kunnen stilzetten. Lees verder

Column ‘De Morgen’: Radicaal normaal

Eindejaarslijstjes: er is geen ontsnappen aan. In de literaire wereld wordt dan vooral recensenten naar een top drie van boeken gevraagd die hen het meest zijn bijgebleven – maar laten we de rollen eens omkeren. Als recensenten punten mogen uitdelen aan auteurs, dan mag het ook vice versa. Omdat schrijvers het vaak al hard genoeg te verduren krijgen van critici, wil ik graag – en ik weet dat ik uit naam van een aantal collega-auteurs spreek – een prijs uitdelen aan de ergerlijkste recensie van het afgelopen jaar: ‘Doe toch eens niet normaal, man!’ van Hans Demeyer, over de bloemlezingen 20 onder 40 en 20 onder 35. Lees verder

Column ‘De Morgen’: Vaclav & Mir-Hossein

Uit de Iraanse strip ‘Zahra’s Paradise’ – klik op de afbeelding om te vergroten

Toen ik in juni 2009 door Iran reisde, veranderde de Tsjechische president en schrijver Vaclav Havel van een naam uit mijn geschiedenisboeken tot iemand die tot leven kwam in de straten van Teheran. Miljoenen Iraniërs protesteerden tegen de uitslag van de frauduleuze presidentsverkiezingen, en tijdens mijn interviews met betogers werd Havel steeds vaker aangehaald: velen zagen in oppositieleider Mir-Hossein Mousavi de Vaclav Havel van Iran. Lees verder

Column ‘De Morgen’: Beminde gelovigen

Onlangs werd ik uitgenodigd om over mijn boek Vurige tong te spreken in het Nederlandse Aardenburg, net over de grens met West-Vlaanderen. Groot was mijn verbazing dat ik daar in een doopsgezinde kerk mocht optreden: dat was me in Vlaanderen niet eerder overkomen. Op de kansel waar ik mijn lezing hield, stond in gouden letters ‘Gij zijt het licht der wereld’, en achterin de kerk staarde een levensgroot Lam Gods me aan. Ik noemde God een waanzinnige illusie en gelovigen anno 2011 ontstellend naïef. Niemand stond op, en na afloop was er ruimte voor woord en wederwoord: zo vroeg de homoseksuele dominee me hoe ik kon leven zonder in iets te geloven, en ik vroeg hem hoe hij als jong, weldenkend man zijn leven kon laten leiden door een onzichtbaar opperwezen. Lees verder