Column ‘De Morgen’: De god der kleine dingen

Robert Frost, ‘Design’

Weer vallen de bladeren van de bomen, weer ruikt de lucht naar winter, weer zwijgen de vogels wanneer we wakker worden. Herfst is het seizoen van de melancholie, van ‘altijd regen/altijd dit lege hart’ van J.C. Bloem, van de ‘vunzige treurnis’ van Paul van Ostaijen en de ‘versleten dukaten die zullen/ vallen op vochtige hollandse zandgrond’ van Hans Andreus. Lees verder

Column ‘De Morgen’: Ergens, een ochtend

Ik zou kunnen zeggen dat de herfstzon zacht scheen en ik net op mijn terugweg was van de bakker toen ik haar zag. Het contrast met de laatste warmte van de zomer die nooit kwam en de verse broodzak onder mijn arm zou het verhaal nog rauwer maken, maar soms moet je de realiteit haar naakte zelf laten zijn.

Dus, het was zomaar, dat ik er langsliep, want wandelen wordt pas echt een kunst als je het doelloos doet. Ze lag op haar buik op een bank in het park. Haar lichaam rustte op de uitgesleten houten planken, maar voor haar hoofd had ze geen plaats meer gevonden. Haar blonde haren gingen als een gordijn naar beneden en raakten net niet de kiezelstenen op de grond. Lees verder

Column ‘De Morgen’: Doodgaan is schrappen



© Max Oppenheim

Als het over 9/11 gaat, zien we meestal de beelden voor ons. Hoe een vliegtuig zich als speelgoed in een wolkenkrabber boort die daarna als een blokkentoren in mekaar zakt. Maar misschien omdat taal mijn hoogste goed is, zijn nog meer dan de beelden de woorden van Elf September me bijgebleven. Ik herbeluisterde een aantal van de laatste telefoongesprekken van de slachtoffers, en de rillingen over mijn rug voelen even koud als toen ik ze voor het eerst hoorde. Stuk voor stuk gaat het om mensen die slechts acht letters nodig hebben om te vertellen wat ze ter afsluiting van hun leven kwijt willen: “I love you.” Lees verder

Column ‘De Morgen’: En het woord werd vlees (bis)

Ik kwam thuis na eenenveertig kilometer fietsen onder grijze wolken, schopte mijn koersschoenen uit, zette de televisie aan en ging op mijn Perzisch tapijt liggen. Zoals altijd na het sporten was ik in een licht euforische stemming, maar die sloeg meteen om toen de eerste woorden die uit mijn scherm schalden als glibberige wormen in mijn oor kropen: ‘De cuisson van uw zalm is werkelijk schitterend.’

Er is geen ontsnappen aan de kookhype die Vlaanderen in zijn greep heeft. In de boekhandel, een plek waar ik vanwege beroepsmisvorming vaak kom, staren Piet Huysentruyt en Jeroen Meus me week na week beaat glimlachend aan. Ik sla een krant open en lees in dramatisch grote letters dat Peter Goossens, ocharme, platte rust nodig heeft. Lees verder

Column ‘De Morgen’: En het beest zeeg neder

Als de wereld te weten komt dat je boeken schrijft, gebeuren er vreemde dingen. Zo kreeg ik afgelopen week een mail van een man die me vertelde dat hij net een kortverhaal klaar had. ‘Begin dit jaar kreeg ik eens de kriebels om een kort verhaal te schrijven. (…) Maar het enige waar ik me enorm zorgen over maak is mijn zinsbouw, structuur, grammatica en andere fouten.’ Ik dacht aan wat Gerrit Komrij ooit neerpende over J. Bernlef: ‘In de laatste roman van Bernlef, Sneeuw, komen, hoewel hij enkele aardige en zelfs een aangrijpende scène bevat, drie kleinigheden voor die me niet bevallen: het verhaal, de stijl en de zogenaamd onderliggende gedachtengang.’

Vandaag is iedereen schrijver. En wil iedereen vooral schrijver worden. Maar dat kan niet, want met schrijven is het zoals met blondines: je bent het, of je bent het niet. Omdat ik een sentimentele afwijking heb, raakt diegene die verkondigt dat hij schrijver wil worden me recht in het hart, maar de eerlijkheid gebiedt me de wannabe daarna meewarig aan te kijken. Jammer, maar helaas, mijn beste. Misschien in een volgend leven. Lees verder