Perzisch liefdesverhaal ‘Khosrow en Shirin’ moet na acht eeuwen worden gecensureerd

 

Het Iraanse Ministerie van ‘Cultuur’ slaat weer toe met een misselijkmakende censuuractie. Gisteren werd bekend dat het eeuwenoude epische liefdesverhaal ‘Khosrow en Shirin’ alleen nog mag verschijnen indien het wordt gecensureerd.

‘Khosrow en Shirin’ is een meesterwerk dat in 1177 werd geschreven door Nezami Ganjavi (1141-1209) en in 1180 voor het eerst verscheen. Het maakt onlosmakelijk deel uit van de Perzische literatuur en cultuur – het is zelfs erfgoed geworden, zoals veel van Irans literaire klassieken.

Maar 831 jaar na de publicatie van het boek heeft het Ministerie van Cultuur en Islamitische Leiding beslist dat bepaalde delen van het boek moeten worden gecensureerd. Toen Peydayesh Publiciations, dat het boek uitgeeft, besliste om na jaren de lay-out van het werk te veranderen ter gelegenheid van de achtste editie, moest het naar het Ministerie worden gestuurd ter goedkeuring. Groot was de verbazing van de uitgeefstser, Fariba Nabati, toen haar werd meegedeeld dat bepaalde delen moesten worden aangepast, zoals de zinnen ‘liet niets over van de wijn tijdens de dronkenschap’ en ‘ergens naartoe gaan waar we alleen kunnen zijn’ en ‘handen vasthouden’.

Sinds de Islamitische Revolutie van 1979 zijn verwijzingen in boeken naar fysiek contact tussen man en vrouwen verbannen wegens ‘immoreel’, evenals verwijzingen naar alcoholgebruik. Een overigens schitterend recent literair werk over de waanzin van de Iraanse censuur is Censuur. Een Iraans liefdesverhaal (2009) van Shahriar Mandanipour – in het Nederlands vertaald en verschenen bij Mouria Uitgeverij. Lees hier een interview met de auteur.

bron: TehranReview

Iran gaat ‘mensenrechten verdedigen’ in Londen

Als je Iran al lang op de voet volgt, leer je bij berichten als deze zelfs een beetje (wrang) te glimlachen. Nadat president Ahmadinejad het Verenigd Koninkrijk een veeg uit de pan heeft gegeven voor de aanpak van de relschoppers in Londen en bij de Veiligheidsraad van de VN, die hij hypocriet noemde, aandrong om tot actie over te gaan, wordt vandaag bericht dat twee bataljons van de gevreesde Iraanse Basij-militie, die maatgevend betrokken was bij het gewelddadig neerslaan van een volksopstand in Iran eind 2009 na de gefraudeerde presidentsverkiezing, klaarstaan om naar Londen af te reizen.

Dat heeft de commandant van de militie, Mohammad Reza Naghdi, gezegd. De eenheden – door hem aangeduid als ‘vredestroepen’ – moeten helpen de rust in Londen te herstellen.

Bij het Iraanse staatspersbureau IRNA gaf Naghdi aan het ‘herstellen van de rust’ een bijzondere invulling: de Basijmilitie moet de mensenrechten verdedigen en de onderdrukten in Londen, Liverpool en Birmingham, zo zei hij.

Volgens Naghdi worden de opstandelingen in Groot-Brittannië ten onrechte bestempeld als plunderaars en saboteurs. “De misdaden van de despotische Britse monarchie tegen de onderdrukten in dat land, gaan door”, stelde Naghdi. De Basij-commandant gaf wel aan dat zijn eenheden pas zullen afreizen als de VN het groene licht geeft.

De Islamitische Republiek acht zichzelf geroepen om elders in de wereld mensenrechten te verdedigen, terwijl ze vergeten in de spiegel te kijken. Nou ja, vergeten doen ze het niet, natuurlijk. Ze weten heel goed waarmee ze bezig zijn en uiten zich opnieuw als islamitische, machtsgeile hypocrieten die ervan genieten de eigen bevolking te sarren en daar nog een scheut bovenop doen door elders mensenrechten te gaan ‘verdedigen’.

bron: De Stentor

‘A Seperation’: nieuwe bejubelde Iraanse film

Als u bij dit regenachtige weer een goede film wil zien, één advies: A Seperation van Asghar Farhadi. Zelf moet ik de film nog gaan kijken, maar hij wordt nu al alom bejubeld. Hieronder de recensie van Volkskrant-recensent Bor Beekman. Hij vindt het een vlekkeloos geregisseerd, schrijnend drama waarin twee stellen elkaar naar het leven staan.

Zij wil emigreren, voor de toekomst van hun dochter. Hij wil blijven, om zijn met alzheimer kampende vader te verzorgen. Trouwens: wie garandeert hem dat de toekomst van hun dochter in het buitenland beter is?

Zo belanden Nader en Simin na veertien jaar huwelijk bij de ambtenaar van de burgerlijke stand. De scheiding wordt bevestigd, maar biedt geen soelaas: zonder toestemming van vader mag hun 11-jarige dochtertje überhaupt Iran niet uit.

Hulp in de huishouding

Als Simin bij haar ouders intrekt, huurt Nader een hulp in de huishouding in om de zorg voor zijn vader te dragen, zelf is hij daarvoor overdag te druk. De vrouw, Razieh, heeft het kleine beetje salaris hard nodig, maar is niet opgeleid voor zulke zware verzorgende taken en worstelt met haar geloofsvoorschriften – mag ik een vreemde man wel verschonen?

Het conflict ligt op de loer, en manifesteert zich in een mix van pech, onachtzaamheid en onbegrip. Vader is een middag alleen gelaten. Nader beschuldigt de hulp en zet de tegenstribbelende vrouw het huis uit. Zijn duw leidt tot een val, of niet. En tot een miskraam, of niet.

Hitchcockiaanse meester

De Iraanse scenarist en regisseur Asghar Farhadi (39) toont zich een Hitchcockiaanse meester in het uitzetten van (valse) sporen, waarbij oorzaak en gevolg en de daaruit volgende schuldvraag voortdurend verschuiven. Tegelijk is zijn drama A Separation een messcherpe analyse van de huidige Iraanse samenleving, en de tweedeling onder de bevolking.

Nader en Simin representeren de (seculiere) middenklasse, en komen tegenover de ongeschoolde Razieh en haar heethoofdige echtgenoot te staan – die niet op de hoogte was gesteld van de bijbaan van zijn vrouw, en zich aangetast voelt in zijn eer. Er gaapt een kloof tussen de hogere en lagere klasse, die wordt opgerekt wanneer de ene partij de andere aanklaagt wegens doodslag. Overtuigd van het eigen recht storten de stellen elkaar, en zo uiteindelijk zichzelf, almaar verder het ongeluk in.

Groot verteltalent

Dat Farhadi daartoe geen moment toevlucht neemt tot overdrijving, getuigt van een groot verteltalent; elke wending is even plausibel, even realistisch. Hij nodigt de kijker wel uit te oordelen, maar laat die neiging almaar botsen op voortschrijdend inzicht – geen van de volwassenen is volkomen eerlijk, elk van hen is te begrijpen.

In het nauw gebracht sjoemelen Nader en Simin met getuigenissen. Razieh, die niet minder klemzit, manipuleert middels haar geloof, en haar gefrustreerde man speelt de hem resterende troef uit en dreigt met geweld: ‘Ik heb toch niks te verliezen.’

A Separation, op het filmfestival van Berlijn met de Gouden Beer bekroond, is vrijwel vlekkeloos geregisseerd en kan bogen op uitstekende acteurs, onder wie de Iraanse steractrice Leila Hatami (als Simin). Wat de film zo doet schrijnen, is de suggestie dat de ruzie met een beetje kundige bemiddeling zo verholpen zou zijn, en eigenlijk door geen van de partijen gewenst is. Maar elke poging om de zaak te schikken, van beide kanten, stuit op hindernissen als trots, argwaan en religie, en de nauwelijks met een menselijke maat metende Iraanse wetgeving.

Door op enkele momenten iets van lichtheid toe te laten, een flard humor, behoedt Asghar Farhadi zijn film voor een loodzware tred. Je blijft hopen op een goed einde.

Column ‘De Morgen’: Adelaars

Toen ze nog op het platteland woonde, waren er haar blinde kat, de circushond, het papierkot, de vijf onsterfelijke knotwilgen en de beek waarin haar kwajongens van zonen rietjes in achterwerken van kikkers duwden om ze vervolgens de eeuwigheid in te blazen. Maar eind jaren tachtig werd het huis van mijn grootmoeder onteigend, want Vlaanderen moest worden volgestouwd met kmo’s en werkte koortsachtig verder aan zijn transformatie tot een zakdoekgrote bouwwerf.

Het grote huis dat mémé samen met mijn grootvader steen voor steen had opgebouwd, moest ze achterlaten. Ze belandde in een serviceflat in het centrum van onze provinciestad, waar ze niet langer naar de horizon kon turen maar uitkeek op een smalle, grijze straat. Elke dag ging ik bij haar op bezoek en altijd zat ik bij het raam, op de centrale verwarming naast haar zetel, die een van de weinige bezittingen was die ze uit haar gesloopte huis had meegenomen. Toen na een paar maanden de gewenning aan haar nieuwe omgeving was ingetreden, vroeg ze me steeds vaker om te beschrijven wat ik buiten zag. Meestal vertelde ik de waarheid. Soms verzon ik een voorbijganger om mijn verhaal sterker en haar genot groter te maken. Maar mémé werd met de dag gulziger naar indrukken, want de vrouw die een leven lang haar eigen verhalen kon verzinnen door gewoon een blik naar buiten te werpen, had niet langer genoeg aan mijn vertelsels. Lees verder

Iraanse schoolboeken ondergaan veranderingen in strijd tegen ‘zachte oorlog’

Een Iraanse klas voor de Islamitische Revolutie van 1979

De Iraanse minister van Onderwijs, Mohammad Hajibabayi, heeft vandaag aangekondigd dat de schoolboeken in Iran tijdens het nieuwe academische jaar veranderingen zullen ondergaan, als een manier om tegenwicht te bieden tegen de zogenaamde ‘zachte oorlog van de vijand’. ‘Gezien de vijand de jeugd wil bereiken, aldus de minister, ‘zullen we onze studenten vaccineren via onze opvoeding.’

De Islamitische Republiek voert een gevecht tegen de ‘zachte oorlog’ of ‘de zachte culturele en sociale bedreigingen en de macht van de vijand’, die de Iraanse regering wil omverwerpen. De massale straatprotesten na de frauduleuze presidentsverkiezingen van juni 2009 worden door het regime gezien als een deel van de ‘zachte oorlog van de vijand’. De minister van Onderwijs vindt het ‘onze ware en wettelijke plicht om onze studenten immuun te maken tegen de zachte oorlog.’

Sinds de protesten van 2009 onderging het Iraanse onderwijssysteem al verschillende wijzigingen. In een aantal universiteiten mogen jongens en meisjes al niet meer samen les volgen, er worden minder studenten toegelaten in de richtingen van de humane wetenschappen (43 procent moet worden gereduceerd tot 36 procent) en heel wat professoren die werden beschuldigen van ‘onislamitisch gedrag’ (i.e. seculiere professoren) zijn ontslagen.

Op de website van het VN-Vluchtelingencommissiaraat wordt een overzicht gegeven van discriminatie en intolerantie in Iraanse schoolboeken.

bron: Radio Zamaneh

Saved by Islam – how an Iranian holy man rescued us from jail


Our hero, Hojatoleslam Hosseini   © Pieter-Jan De Pue

The room is full of garish plastic flowers that make it impossible to concentrate on what the man seated in front of me is saying. Not helping matters is the overwhelming heat, which has me fidgeting uncomfortably in my chair. The black chador draped over my head—in keeping with Islamic dress code—falls, and a sweaty clump of hair slips to my shoulder. Mr. Hosseini, one of the highest-ranking Islamic leaders in Qom, Iran’s religious capital, doesn’t notice. He is rhapsodizing.

“There is a reason why I want to meet personally journalists who visit the Hazrat-e Masumeh shrine,” Hosseini informs me through my translator and guide. “There are many misunderstandings about Islam. I want you to remember this: Islam is peace. Unfortunately, politics always separates people. But we are not hostile to anyone.” Clearly, he means it, but I’m being forced to listen so it isn’t very convincing.

I’ve only just arrived in the sleepy city of Qom with my photographer, Pieter-Jan, after a one-week stay in press-packed Tehran. In the taxi from the train station to the city center, our driver was puzzled: “Beh name khoda, in the name of God, what are you doing here?” Before I could explain that we’re here gathering research for an upcoming book on youth movements, he caught my eye in the rearview mirror, smiled, and shook his head. “There are rarely any foreigners in this city—not even journalists. You will be the talk of the town.” He dropped us at the Hazrat-e Masumeh, the holiest shrine in Qom, and we quickly understood what he meant. “Salam khareji! Hello, foreigner!” a young man waved at me from the other side of the street. “Be behesht khosh amadid! Welcome to paradise!”


Hazrat-e Masumeh: The holiest shrine in Qom, one of Iran’s most holy cities  © Pieter-Jan De Pue

We had barely entered the shrine when the head supervisor insisted we come with him to the office of the local hojatoleslam. This title is given to clerics of advanced standing in Islamic studies—in essence, influential interpreters of the Koran and setters of the moral standard. They wield immense power in every echelon of Iranian culture, and it was made obvious that if we refused to meet with him, we would not be interviewing or photographing anyone anytime soon. “Don’t worry. Mr. Hosseini just wants a friendly talk with you,” the supervisor said to us. I’d had a similar chat with civil authorities in Tehran—it is a strange thing to get accustomed to. Lees verder

Het wandelaartje

Op café – of elders – krijg ik in Tielt regelmatig de vraag of ik de column die ik destijds schreef voor ‘Het Nieuwsblad’ over Bekende Tieltenaar Marc Soete online kan plaatsen.
Bij deze.


Zijn naam was Marc. Hij droeg een geruite pet in de winter en had een bruinverbrande schedel in de zomer. Nog meer dan anders leek hij dan op Pablo Picasso: kale glimmende karakterkop, grote donkere ogen, diepe groeven in de wangen.

Niet schilderen was zijn kunst, wel leven in eenvoud. In de provinciestad waar ik opgroeide kende Marc iedereen, en iedereen kende Marc. Hij verliet op jonge leeftijd het strenge katholieke weeshuis waar hij werd grootgebracht, kwam in Tielt terecht en ging er in een klein arbeidershuis wonen. Marc was alleen op de wereld, maar op een dag moet hij besloten hebben dat hij van zijn omgeving zijn familie kon maken.

De straten waren zijn thuis. Het wandelaartje, werd hij ook wel genoemd. De eenzaamheid tussen vier muren overwon hij door dagelijks lange tochten te maken. Hij groette iedereen. ‘Ne goeiendag’, klonk het dan luid, en hij stak zijn hand in de lucht. Hij drong zich aan niemand op, maar in zijn ogen las je altijd de hoop dat je even met hem zou praten. Het ging dan over het weer, over de klusjes die hij voor sommigen mocht opknappen, over de bloemen die hij in zijn tuin zag bloeien. Klagen deed hij nooit. Glimlachen altijd.

Afgelopen zaterdag ging ik naar Marcs begrafenis. De avond voordien had ik gehoord dat hij onverwacht was overleden. Alleen, thuis, zittend op de bank. Echt persoonlijk had ik hem nooit gekend, hem wel altijd gegroet en soms met hem gebabbeld, maar toch wilde ik afscheid nemen. Tegelijk ging ik naar zijn begrafenis omdat ik bang was dat de kerk leeg zou zijn. Iedereen wist wie hij was, maar wie kende hem echt goed? De gedachte aan de kist van Marc in een bijna lege kerk maakte me triestig.

De kerk was niet leeg. Ze zat afgeladen vol. Er waren zelfs stoelen te kort. Tientallen mensen hadden hetzelfde gedacht als ik: deze man mogen we niet in de steek laten, ook niet nu hij er niet meer is. Velen knikten elkaar toe, alsof ze stilzwijgend zegden: jij ook, schoon dat ge er zijt, jammer dat we ’t wandelaarke nooit meer zullen zien.

Terwijl ik de priester hoorde praten over de schoonheid van de eenvoud dacht ik: dit is mijn antwoord op de vraag die sommigen me stellen, waarom ik nog elk weekend terugkeer naar mijn roots in West-Vlaanderen, terwijl ik in Brussel toch alles heb. In Brussel heb ik alles, maar dit niet: een gevoel van verbondenheid met je stadsgenoten wanneer iemand als Marc overlijdt. Als Marc in Brussel was terechtgekomen, had hij de eenzaamheid maar moeilijk kunnen overwinnen. Misschien had hij zelfs het leven niet kunnen dragen. Elke dag zie ik in de Brusselse volkswijk waar ik woon mensen ronddwalen, op zoek naar een vriendelijk woord, een glimlach, vijf seconden aandacht. Maar niemand heeft tijd, iedereen heeft het druk-druk-druk en snelt verder. In de anonieme mensenzee van Brussel gaan elke dag mensen als Marc kopje onder. Ze kopen het goedkoopste bier in de supermarkt om de hoek en verliezen elk gevoel van richting in hun leven.

Tijdens de begrafenis besloot de priester zijn woorden over Marc met een paar regels uit het gedicht ‘Eenvoud’ van Alice Nahon:

Ik voel m’n ziel verwant met kleine simpele dingen,

Die op ons wegen staan als bloemen van het veld…,

Verdoken in het gras, door weinigen geteld

Ik hou van Brussel, van de drukte, van de chaos, van de vrijgevochtenheid, maar hieraan zal ik nooit wennen: aan de vele wandelaartjes voor wie niemand oog heeft, verdoken in het gras, door weinigen geteld.

Column ‘De Morgen’: En het beest zeeg neder

Als de wereld te weten komt dat je boeken schrijft, gebeuren er vreemde dingen. Zo kreeg ik afgelopen week een mail van een man die me vertelde dat hij net een kortverhaal klaar had. ‘Begin dit jaar kreeg ik eens de kriebels om een kort verhaal te schrijven. (…) Maar het enige waar ik me enorm zorgen over maak is mijn zinsbouw, structuur, grammatica en andere fouten.’ Ik dacht aan wat Gerrit Komrij ooit neerpende over J. Bernlef: ‘In de laatste roman van Bernlef, Sneeuw, komen, hoewel hij enkele aardige en zelfs een aangrijpende scène bevat, drie kleinigheden voor die me niet bevallen: het verhaal, de stijl en de zogenaamd onderliggende gedachtengang.’

Vandaag is iedereen schrijver. En wil iedereen vooral schrijver worden. Maar dat kan niet, want met schrijven is het zoals met blondines: je bent het, of je bent het niet. Omdat ik een sentimentele afwijking heb, raakt diegene die verkondigt dat hij schrijver wil worden me recht in het hart, maar de eerlijkheid gebiedt me de wannabe daarna meewarig aan te kijken. Jammer, maar helaas, mijn beste. Misschien in een volgend leven. Lees verder

Toch geen zwavelzuur in ogen van Iraanse man

Wat ik hier al eerder had ‘voorspeld’, is waarheid gebleken: een Iraanse man die zwavelzuur in de ogen van een vrouw had gespoten en als straf hetzelfde lot zou ondergaan, heeft op het laatste moment pardon gekregen van zijn slachtoffer. De ‘oog-om-oog’-actie is daarmee van de baan, meldden Iraanse staatsmedia.

De man, Majid Movahedi, spoot in 2004 zwavelzuur in het gezicht van Ameneh Bahrami, omdat zij verscheidene huwelijksaanzoeken had afgewezen. Sindsdien is zij blind en is haar gezicht verminkt. Operaties in Spanje hebben geen baat gehad. Bahrami zou zondag met een pipet zwavelzuur in beide ogen van Movahedi spuiten.

Ik heb altijd gedacht dat de straf nooit zou worden uitgevoerd. Daar ben ik blij om, want ik hou niet van ‘oog om oog’, maar wat het tegelijk ook op een wrange manier aantoont, is dat in de Islamitische Republiek een vrouw het nooit zal ‘winnen’ van een man.

bron: de Volkskrant

Tijd, versteend tot eeuwigheid

Deze tekst, over het werk van fotograaf Charif Benhelima, verscheen eerder in de programmabrochure van deBuren van najaar 2007

De baby lacht. Klik. ‘Mijn god, wat een mooie vrouw’. Klik. Het gras is groener dan ooit, en de bloemen bloeien zo uitbundig deze zomer. Klik. ‘Zie je hoe de zon plots heel rood wordt en straks achter de heuvels zal verdwijnen?’ Klik.

Er zijn weinig verhoudingen die zo passioneel zijn als die tussen de mens en het fototoestel. Dat hoeft niet te verbazen: de liefde van mensen voor het maken van foto’s is een uiting van hun grootste angst, namelijk die voor het voorbijglijden van de tijd. Als korrels zand glipt de tijd door onze vingers, maar wie op de ontsluiter drukt, kan de tijd even stopzetten. In de strijd tegen de tijd is het geheugen het belangrijkste wapen, en fotografie is de beste en meest waarheidsgetrouwe handlanger van ons geheugen.

Wie fotografeert, creëert herinneringen, en die hebben we nodig om een complete persoonlijkheid te zijn. Onze persoonlijke herinneringen vormen de belangrijkste bron voor onze identiteit. Wie geen geheugen heeft, heeft geen notie van zijn eigen identiteit. De mogelijkheid het eigen verleden in herinnering te brengen geeft inhoud en waarde aan ons bestaan. Identificatie met het vroegere zelf is essentieel voor onze integriteit. Het geeft ons het gevoel een logisch, begrijpelijk en coherent geheel te zijn. Het verleden naar het heden halen verbindt ons met hoe we vroeger waren en geeft continuïteit aan onze identiteit.

Net daarom zijn er weinig bezigheden waar werkelijk íedereen zoveel plezier aan beleeft als aan het langzame doorbladeren van fotoalbums. Dat doen we het liefst in gezelschap, om woorden aan de beelden te kunnen toevoegen en om ons collectief te verwonderen over hoe het allemaal geweest is. Niet toevallig beweren veel mensen dat hun fotoalbum het eerste is wat ze uit hun brandende huis zouden redden. Het fotoalbum is het tastbare bewijs van het verleden, van wie we waren en geworden zijn.

Net omdat zijn fotoalbum tot zijn twaalfde blanco is gebleven, is Charif Benhelima naar eigen zeggen fotograaf geworden. Doordat hij geen foto’s van zichzelf had, werd hij zich al op jonge leeftijd heel sterk bewust van de waarde van herinneringen en van het vastleggen van de tijd. Niet alleen heeft Benhelima geen foto’s van zijn kindertijd – uitgerekend dat deel van ons verleden waarvoor we het meest op de verhalen van anderen aangewezen zijn  – maar is er ook niemand meer die hem erover kan vertellen. Zijn Marokkaanse vader kwam als gastarbeider naar België en werd het land uitgezet toen Charif drie jaar was. Sindsdien heeft niemand nog iets van hem vernomen. Benhelima’s moeder – een Vlaamse – overleed toen hij twaalf was. Hij werd geplaatst in een pleeggezin, en van het pleeggezin ging het naar een gesloten jeugdinstelling. Zijn jeugd noemt hij hard, het gevecht met zichzelf nog harder.

Pas toen Benhelima de fotografie ontdekte, kon hij ook zichzelf ontdekken. Zijn eerste boek Welcome to Belgium (2002) gaf hem de kans om dat deel van zijn verleden in beeld te brengen waarvan hij geen foto’s en weinig herinneringen heeft, en om op die manier de verloren tijd terug te winnen.

Welcome to Belgium is een sociaaldocumentair fotoboek dat vastlegt wat het betekent om vreemdeling te zijn. Het opent met een afdruk van een document dat het Ministerie van Tewerkstelling en Arbeid in 1964 verspreidde in Marokko, Tunesië en Algerije om kandidaten te werven voor emigratie naar België. ‘Arbeiders, wees welkom in België!’, bloklettert de titel van het document. Je denkt eraan in België te komen werken? Misschien heb je de grote beslissing reeds genomen? Wij, Belgen, zijn gelukkig dat jij ons je kracht en je verstand biedt. Wij wensen dat dit nieuwe leven mag bijdragen tot jouw geluk.

Het contrast van het pamflettaire ‘Welkom arbeiders’ met de foto’s van Benhelima bezorgt de kijker een mokerslag in het gezicht. In korrelig zwart-wit geeft Benhelima onverbloemd de werkelijkheid weer van het harde bestaan van asielzoekers en illegalen in Brussel. Een eerste luik toont foto’s van migrantenkinderen. Hier is er nog hoop: de kinderen spelen, lachen, springen, rennen, kijken nieuwsgierig in de lens. Het kader beweegt zich vaak op hun hoogte: de fotograaf is één van hen. Het tweede luik is grimmiger. Benhelima laat ons het leven zien van asielzoekers in het Klein Kasteeltje. De reeks opent met een donkere foto van een dubbele deur waaronder een streepje helder licht zweeft. Maar dit is niet het licht dat hoop brengt in de duisternis. Het leven in het asielzoekerscentrum is grauw: getraliede ramen, groezelige muren en leegte, heel veel leegte. Er wordt opvallend veel gewacht. De meest treffende foto van de reeks toont een zwarte man vanop de rug gezien. Hij kijkt door een getralied venster naar een ommuurde binnenplaats. De stilte van deze foto is verpletterend. Alles is ontzield. Elk spoortje menselijkheid lijkt hier verdwenen.

Toch straalt er af en toe hoop uit de foto’s. Twee mannen omhelzen elkaar en lachen uitbundig. Een vrouw stift haar lippen in het weerspiegelende glaswerk van een oude deur waar de verf vanaf bladdert. Het zijn foto’s die eraan herinneren waarom deze mensen naar hier zijn gekomen. Wie vlucht, is hoopvol. Wie vlucht, zegt ja tegen het leven. Wie zijn land durft te verlaten, omhelst het leven met volle kracht. Het is een eeuwig verhaal. De mens, ach, de mens is altijd en overal dezelfde. Hij zoekt en vloekt, hij huilt en schreeuwt, hij lacht en danst, maar eigenlijk wil hij altijd alleen maar gelukkig zijn. Voor geluk, voor niets minder dan geluk zal de mens vechten en overeind blijven. Als je mening je dood kan betekenen, als het water tot boven je kin komt, de bommen je trommelvliezen aan flarden scheuren of je kinderen hun ogen niet meer kunnen sluiten van angst, dan wordt de mens een leeuw met klauwen. Wanneer de grond onder je voeten dreigt weg te zakken, wanneer je bijna valt maar ergens anders kan overeind komen, waar de lucht helderder is en het brood naar het leven smaakt, dan zal de mens verdomme overeind komen, al moet hij daarvoor desnoods de oceaan overzwemmen of zijn eigen huis in brand steken. Vanuit dat verlangen, om ergens anders de sleutel in de deur te kunnen steken, zijn de mensen uit Welcome to Belgium naar hier gekomen. De foto’s in het derde luik van het boek, gemaakt in een opvangtehuis voor illegalen, laten op een ontluisterende manier zien hoe de hoop van asielzoekers brutaal de kop wordt ingedrukt. Kijk, zegt de fotograaf, kijk hoe welkom immigranten zijn, kijk alsjeblieft goed en zie hoe hen alle hoop wordt ontnomen.

“Petit Chateau #5” , Brussels 1996-1997, Fiber print on alu, 60x100cm , edition of 5

Maar Welcome to Belgium is meer dan een aanklacht in de vorm van een fotodocument. Charif Benhelima noemt het ook zijn eigen fotobiografie. Van een groot deel van zijn verleden heeft hij noch foto’s noch een verhaal, maar met dit boek heeft hij zijn eigen verhaal geschreven. Hij was zelf een van de vele migrantenkinderen die hij in het eerste luik in beeld brengt. Zijn vader heeft hij nooit gekend, maar ooit was hij een asielzoeker en werd hij als illegaal het land uitgezet. Zijn geest waart door de bladzijden van dit boek. En zijn moeder, zij is aanwezig in de foto’s van de Tunesische asielzoekster Héléna Benjouira, die zonder wettige verblijfspapieren in Brusssel verblijft en daar haar zoontje probeert groot te brengen en tegen haar drugsverslaving vecht. De laatste foto van het boek toont Benjouira die vanuit een sofa indringend de lens inkijkt. In de spiegel die achter haar aan de muur hangt, is vaag de fotograaf zelf te zien. Daarna volgt een echo van de foetus van Benjouira’s zoontje, en weer daarna deze woorden: Ik ben nu 31. Mijn moeder overleed toen ik 8 was en mijn vader werd het land uitgezet toen ik 3 was. Voor het eerst durf ik zeggen: ‘Mijn moeder werkte in een fabriek en mijn vader was gastarbeider. Het staat op mijn geboortebewijs.’

Altijd had Benhelima gelogen over zijn herkomst en verzon hij een beroep voor zijn ouders. Pas op het eind van dit boek kan de fotograaf de waarheid vertellen en zijn plaats erkennen. Die erkenning maakt duidelijk dat zich tussen de bladzijden van Welcome to Belgium de zoektocht van Charif Benhelima naar zichzelf afspeelt. Hij heeft met deze foto’s zijn eigen verhaal geschreven, en zijn vader en moeder een naam en een gezicht gegeven. Daardoor kan hij op 31-jarige leeftijd eindelijk zichzelf vinden. De tijd heeft hem zijn ouders afgenomen en een deel van zijn verleden blanco gelaten, maar met zijn fotobiografie toont Charif Benhelima zich sterker dan de tijd.

Dat Welcome to Belgium zoveel als een tweede geboorte voor Benhelima betekende, weerklinkt duidelijk in de titel van zijn tweede grote fotografische project: Harlem on my mind. I was, I am. Nadat hij tussen 1990 en 1999 de foto’s voor Welcome to Belgium had gemaakt, trok Benhelima naar New York. Hij kreeg een beurs om er documentaire fotografie te studeren en ging in Harlem wonen. The black capital of Amerika is de laatste jaren erg in trek bij blanke New Yorkers, en de veranderingen die dat met zich meebrengt zijn aanzienlijk. In de jaren zeventig en tachtig was Harlem nog een verpauperde zwarte wijk waar de huizen op instorten stonden, drugshandelaars vrij spel hadden en de werkloosheid rond de dertig procent was. Door de huidige instroom van koopkrachtige bewoners wordt het uitzicht van de stadswijk totaal veranderd, maar het zwarte en arme Harlem is nog niet verdwenen. Het zijn de sporen van het ‘oude’ Harlem die Benhelima in Harlem on my Mind in beeld brengt: verpauperde woonblokken, affiches van Billie Holiday en Malcolm X en desolate straten.

“Fredrick Douglass Bl., Harlem” , 1999, Ilfochrome-Diasec, 120×122,5cm , edition of 5

Net als zijn eerste fotoboek is Harlem on my Mind een tijdsdocument. Terwijl Welcome to Belgium documenteert wat het betekent om vreemdeling te zijn in Brussel aan het eind van de vorige eeuw, archiveert Benhelima hier het Harlem dat op het punt staat te verdwijnen. Met Welcome to Belgium wekte Benhelima zijn eigen verleden tot leven; in Harlem on my Mind legt hij een heden vast dat weldra tot het verleden zal behoren.

Harlem on my mind vormt een voortzetting van de documentaire benadering van Welcome to Belgium, maar is tegelijk een keerpunt in Benhelima’s creatieve proces door het gebruik van een zwart-wit Polaroid 600-camera. Scherpstellen is met die camera onmogelijk, en het vage beeld dat daardoor ontstaat, past bij de instabiliteit, het verdriet en de onrust die veel van deze foto’s uitstralen.

In zijn meest recente fotoreeks Black-Out, die hij maakte tijdens zijn verblijf in Berlijn, gaat Benhelima een stap verder in zijn experiment met de Polaroid. Hij plaatste een filter voor de camera, waardoor de foto’s overbelicht zijn en er een melkachtige nevel over de beelden lijkt te zweven. De alledaagse dingen die hij in beeld brengt – een duif, een basketbal, een rij bomen – zijn daardoor nog nét zichtbaar. Benhelima stelt hier de aard van onze perceptie in vraag: hoeveel informatie hebben we nodig om te weten wat iets echt is? Weinig, zo blijkt: achtergrond en omgeving zijn op deze foto’s volledig verdwenen, en toch is het menselijke oog in staat om de geportretteerde elementen een naam te geven.

“Baseline” , 2006 , Ilfochrome-diasec , 120×122,5cm , edition of 5

Niet alleen de ruimtelijke context is uitgewist op deze foto’s, maar ook de tijd. Payback time, zo lijkt het wel: ooit wiste de tijd een deel van zijn leven uit, maar Charif Benhelima slaat terug. Met Black-Out is het schijnbaar onmogelijke hem gelukt: hij heeft de tijd versteend tot eeuwigheid.