YouTube-filmpje van mijn videomateriaal uit Iran

Gisteren kreeg ik een mail van een Iraanse Belg, met wie ik bevriend ben op Facebook – Ashkan Herati is zijn naam. Hij heeft van de filmpjes die ik in Iran maakte (wat niet zonder gevaar was) en die ik op YouTube plaatste een compilatie gemaakt. Hij schreef: ik doe dit om je te bedanken voor het fantastische boek over mijn land dat je geschreven heb.

Ik vond het ontroerend om te zien, dat iemand daar tijd aan gespendeerd heeft en me daarmee wilde bedanken. Call me sentimental, maar ik moest toch een traantje wegpinken. Dat zijn momenten waarop schrijven nog mooier wordt dan ik het altijd al gevonden heb, en waarop mijn liefde voor Iran en mijn overtuiging om over het land te blijven berichten en schrijven nog groter worden.

Bekijk hier het filmpje, begeleid door het prachtige liedje ‘Wake Up, Little Sparow’ van Devendra Banhart.

‘Duizend-en-één dromen’: de blijde geboorte

Alweer een week geleden, maar een avond waar ik nog elke dag aan denk: vorige week donderdag, 25 maart, werd in het FotoMuseum in Antwerpen mijn boek Duizend-en-één dromen. Een reis langs de Trans-Iraanse Spoorlijn voorgesteld. Die avond opende ook de tentoonstelling van fotograaf Pieter-Jan De Pue, die in juni 2009 met me meereisde door Iran. Titel van de expo: Iran op de grens, nog tot 16 mei in het FotoMuseum.


Wat ik eigenlijk niet had verwacht, gebeurde toch: er waren ontzettend veel mensen die naar de boekvoorstelling kwamen – een 200-tal. Ook de minister van Media Ingrid Lieten was erbij – ten zeerste gewaardeerd door mezelf en vele anderen.

Ik wilde de avond absoluut beginnen met het Perzische liedje ‘Sar Oomad Zemestoon’, over het einde van de winter en het begin van de lente. Het liedje heeft veel betekenissen voor mij, en er is geen liedje dat mooier de hoop uitdrukt die ook weerklinkt in de titel van mijn boek: Iran is een land van mensen met 1001 dromen, mensen die het dezer dagen nog steeds lastig gemaakt wordt, maar toch de strijd niet opgeven. Het ontroerde me om te zien dat sommige Iraniërs in het publiek het lied meezongen.

Na de boekpresentatie heel veel boeken verkocht, en voor het eerst in mijn leven gesigneerd. In het Perzisch. Het enthousiasme van zoveel mensen deed me deugd. De voorbije week was behoorlijk hectisch maar wel onvergetelijk: Duizend-en-één dromen haalde vier pagina’s in Knack, én kreeg een superlovende recensie in De Morgen van Dirk Verhofdstadt. Een fragmentje:


“Dit boek is meer dan een gewoon roadbook. Het is tegelijk een historische momentopname, een spannende thriller, een adequaat geschiedenisboek, een waardevolle reisgids en een stuk poëzie over een land en een volk met een rijke traditie en, zonder twijfel, met nog een grote toekomst. Een bijzonder boeiend boek, met treffende foto’s van Pieter-Jan De Pue.”



Dank aan allen!



Warme, groene harten

Eigenlijk was het niet de bedoeling dat hij het allemaal zou meemaken. De bange blikken in de straten van Teheran. De kreten van verzet die ’s nachts als razend vuur overslaan van dak tot dak. De gesprekken in het benzinestation en bij de bakker die vandaag alléén nog maar over politiek gaan. Zijn zoon van zeventien die af en toe het huis uitglipt om te demonstreren tegen het regime, en zijn moeder daarmee de donkerste uren van haar leven bezorgt.

Anno 2010 in Teheran leven en getuige zijn van het meest bepalende moment in de geschiedenis van de Islamitische Republiek – nee, dat was niet het plan van Hossein. In 1976 verliet hij Iran – hij was toen zestien – en ging hij in het buitenland studeren. Zijn vader, lid van een communistische partij die zich verzette tegen de shah, wilde dat zijn zoon de wereld ontdekte. In een Aziatisch land werd Hossein verliefd op “de mooiste vrouw die hij ooit gezien had”, en al snel besloten ze om na hun studie naar Amerika te verhuizen. Toen de straten van Teheran in januari 1979 in brand stonden, zag Hossein de beelden alleen op televisie. Dagelijks belde hij met zijn vader, in wiens stem steeds meer opwinding doorklonk: het corrupte regime van de shah zou vallen en weldra zou alles anders worden. Iran een paradijs, de bevolking eindelijk vrij, de communisten niet langer ondergronds en de hoop herrezen. Op 11 februari 1979 was het zover: het regime van shah Reza Pahlavi viel, en Iran werd een Islamitische Republiek met ayatollah Khomeini aan het hoofd.

Hossein deelde de vreugde van zijn vader en zijn landgenoten, maar zijn leven in Iran was een afgesloten hoofdstuk: het vaderland was een vakantiebestemming geworden. Tot plots in 1980 de oorlog met Irak uitbrak. “Ik kon niet meer slapen. Ik kon niet meer eten. Ik zag mijn landgenoten sterven in de loopgraven en nam een radicaal besluit. Ik verliet de vrouw van wie ik hield en keerde terug naar Iran. Bij de grens met Turkije vroegen ze me of ik gek was geworden. Iedereen verliet het land, maar ik wilde naar binnen. Voor mij was de oorlog de druppel. Het was mijn plicht om te vechten tegen Irak. Geen vrouw die me kon tegenhouden.”

Tijdens de bloedige Iran-Irakoorlog (1980-1988) zag Hossein tientallen vrienden sterven. “Het was de hel. En toch: ik was soms minder angstig op het slagveld dan de afgelopen maanden in de straten van Teheran. In een oorlog is er structuur. Er zijn wetten en regels. Vandaag hoor ik de Islamitische Republiek daveren op zijn grondvesten, en ik ben bang voor de wetteloosheid en de chaos die misschien zullen volgen. Niet bang voor mijn eigen toekomst. Wel voor die van mijn zoon, wiens leven nog moet beginnen.”

De stem van vuil en stof

Het was op Ferdousi Square, in hartje Teheran, dat ik Hossein voor het eerst ontmoette. Na een reportage van drie weken door het Iraanse binnenland kwam ik op 21 juni weer aan in de hoofdstad, die een belegerde plek was geworden. De dag voordien was Neda Agha Soltan doodgeschoten, de jonge vrouw die sindsdien is uitgegroeid tot het symbool van het verzet tegen het Iraanse regime. De straat opgaan was gevaarlijk, maar ik deed het toch: ik moest geld wisselen om mijn (verplichte) terugkeer naar België te betalen. In het wisselkantoor stond een groep mensen muisstil te staren naar een televisiescherm waarop de legendarische traditionele zanger Mohammed Reza Shajarian te zien was. Hij bezong de liefde in een decor dat uit Duizend-en-één-nacht leek te komen, en ik begreep het niet: een tiental Iraniërs, anders erg spraakzaam in groep, luisterde in volstrekte stilte naar muziek. Op veel gezichten las ik droefheid en woede. Hossein zag mijn vertwijfeling en stapte op me af. “Khabar negar hastin, bent u journalist?” Ja, antwoordde ik, en hij legde me de grote aandacht voor Shajarian uit. President Ahmadinejad had op 18 juni de demonstranten tegen de uitslag van de presidentsverkiezingen ‘vuil’ en ‘stof’ genoemd, en daarop had Shajarian meteen fel gereageerd: hij vroeg de staatsradio zijn liedjes niet langer uit te zenden. “Mijn stem is de stem van vuil en stof en dat zal altijd zo blijven.” Meteen begreep ik wat er in het wisselkantoor aan de hand was: kijken naar een optreden van Shajarian was een vorm van stil protest tegen het regime.

Meer dan een half jaar na de betwiste presidentsverkiezingen van 12 juni 2009 is het protest in Iran niet langer stil. De Groene Beweging is strijdvaardiger dan ooit en heeft grootse protesten aangekondigd op 11 februari – ‘22 Bahman’ in de Perzische kalender, en de dag waarop in 1979 het regime van de shah viel en Iran een Islamitische Republiek werd. De Groene Beweging roept onder meer op Facebook de bevolking én de wereld op om op 22 Bahman massaal te demonstreren tegen het regime.

Nooit meer slapen

Sinds die dag in het wisselkantoor zijn Hossein en ik in contact gebleven. Per mail, soms per telefoon, maar gemakkelijk verloopt de communicatie niet: er zijn dagen waarop het regime het internet en mobiele telefoonverkeer platlegt. Vaak kan Hossein de slaap niet vatten. Hij steunt de Groene Beweging, gelooft in hun gevecht, maar wat gebeurt er als zij het regime omverwerpen? Wordt het beter in Iran, of wordt het net erger? Het is een angst die hij deelt met veel Iraniërs van zijn generatie: ook zij streden tegen een dictatoriaal regime, maar kregen een nieuw schrikbewind in de plaats. Zijn zoon Saaed verwijt het hem soms: de strijd die zijn leeftijdsgenoten vandaag leveren is het gevolg van de ‘foute’ Revolutie van hun ouders. Maar voor Hossein was de Revolutie geen vergissing. “Natuurlijk heeft onze generatie fouten gemaakt, zowel voor als kort na de Revolutie. Maar de Revolutie zelf was een goede zaak. De jongeren in Iran hebben het regime van de shah niet meegemaakt. Wanneer ze hun ouders de wantoestanden van 31 jaar Islamitische Republiek voor de voeten gooien, voegen ze daar al te gemakkelijk aan toe dat het onder de shah veel beter was. Maar ze vergeten dat de shah óók een tiran was. De grootste Perzische koningen zijn altijd de vader van hun volk geweest. Dat was het laatste wat je van de shah kon zeggen. Toen in 1971 het feest van 2500 jaar Perzische monarchie werd gevierd, ging hij als een dwaze voor het graf van koning Cyrus de Grote staan. Weet je wat hij zei? Ik, de koning der koningen van Iran, groet u namens mezelf en mijn volk. Slaap in vrede, want wij zijn wakker, en we zullen altijd wakker blijven. Dát was de shah. Grootheidswaanzin en arrogantie. Hij was absoluut niet wakker. Hij sliep en hij was blind voor de verzuchtingen van zijn volk. Erger nog: hij vertrouwde zijn volk niet. Daarom is het goed dat de Iraniërs hem in 1979 een lesje hebben geleerd. Ze lieten hun macht zien aan een dictator die zijn onderdanen, zoals Khomeini zei, als honden behandelde. Maar toch heeft mijn zoon ook gelijk: met de ayatollahs is het alleen maar erger geworden. Zelfs mijn vader, die communist was, hield van Khomeini en geloofde dat hij goed was voor Iran. Maar we vergisten ons. We zijn bedrogen, en de woede daarover ligt al 31 jaar te smeulen onder de grond van dit land. Ik geloof dat we die woede met ons bloed aan onze kinderen hebben doorgegeven, en dat zij de vulkaan zullen doen uitbarsten. Mijn zoon is geen harde demonstrant. Als het gevaarlijk wordt, keert hij meteen terug naar huis. Maar zelfs in de alledaagse dingen die hij doet, merk ik dat niemand het gevecht van de jonge generatie voor vrijheid kan tegenhouden. Hij speelt basketbal en droomt over een leven als NBA’er in Amerika. Zelfs zijn voorzichtige vader heeft hij zover gekregen om ’s avonds van ons huis een disco te maken. In Iran is dansen op westerse muziek verboden, maar wij hebben er iets op gevonden. Op een paar kasten in de woonkamer leggen we grote zaklampen waarop ik gekleurde folie heb gekleefd. De flashlights doen hun werk, en mijn zoon geniet. Als ik op die momenten naar hem kijk, denk ik vaak aan de woorden van ayatollah Khomeini, die ooit zei dat Allah de mens niet heeft geschapen opdat hij plezier zou hebben, en dat een islamitisch regime op elk vlak ernstig moet zijn. Ik heb respect voor het gevecht van Khomeini tegen de shah, maar hij vergiste zich. De Islamitische Republiek bestaat straks 31 jaar, en de mensen hebben er genoeg van. Ze willen weer plezier kunnen maken. Eigenlijk is dat de kern van de zaak.”

Wanneer ik enkele dagen na mijn telefoongesprek met Hossein deze tekst neerschrijf, denk ik aan Ahmad Shamloo, de beroemdste Perzische dichter uit de 20ste eeuw die heeft neergeschreven hoezeer mensen kunnen hopen en dromen wanneer alles rond hen chaos en wanhoop lijkt: ik denk/ dat mijn hart/nooit zo warm en rood is geweest:/ik voel/dat in mijn hart/duizend bronnen van de zon,/tijdens de ergste minuten van deze dodelijke/nacht/borrelen van geloof.

Ik denk dat Iran op 22 Bahman een dodelijke nacht zal kennen, maar ik voel dat Hossein en zijn zoon de stem vertolken van miljoenen Iraniërs wier hart nog nooit zo warm en groen is geweest, en borrelt van geloof in een land waarin plezier geen doodzonde maar een mensenrecht is.

Hossein en Saeed zijn, om veiligheidsredenen, fictieve namen

Foto’s van mijn reis door Iran: ISFAHAN

In mijn reeks foto’s over mijn reportage in Iran vandaag deel 5: Isfahan. ‘De halve wereld’, noemde de Franse dichter Mathurin Régnier de stad in de 16de eeuw, en hoewel Isfahan vandaag wat zijn Perzische glorie verloren heeft, kan ik me perfect voorstellen dat hij toen overschot van gelijk had. In mijn boek is Isfahan trouwens het langste hoofdstuk geworden: over de stad raak je nooit uitgepraat, en ik was er op 12 juni, de dag van de beruchte presidentsverkiezingen.

De Europese Unie moet de Groene Beweging nadrukkelijk steunen

Iran is in een diepe crisis: de bevolking blijft vechten en het regime begint barsten te vertonen die geen duizenden fanatieke ayatollahs ooit nog kunnen lijmen. Ik heb de voorbije weken de explosieve situatie in Iran met verbazing en met pijn gevolgd. Met pijn, omdat Iran mijn tweede thuis en vaderland is. Met verbazing, omdat ik tijdens mijn reportage door het land al had ervaren hoe dapper en strijdvaardig de Iraniërs zijn – en op de bloedige dag van Ashura zag ik hun moed een ontroerend hoogtepunt bereiken. Toen werd het voor de hele wereld duidelijk: de Iraniërs zullen nooit, nooit opgeven. Telkens wanneer in de geschiedenis van dit prachtige land vrijheid aan de horizon verscheen, hebben Iraniërs alles in het werk gesteld om die ook te grijpen, maar waarschijnlijk zijn ze nooit zo vastberaden als nu geweest.

De strijdlust van de Iraniërs en het lawaai dat ze blijven maken steekt schril af met de stilte van de Europa tegenover de crisis in Iran. Ja, EU-voorzitter Zweden heeft vorige week maandag in een verklaring gezegd ‘bezorgd’ te zijn over het geweld in Iran. In zijn verklaring onderstreept Zweden het grote belang dat de EU hecht aan mensenrechten en democratische waarden. “Vrijheid van meningsuiting en het recht om vreedzame bijeenkomsten te houden, zijn universele mensenrechten die dienen te worden gerespecteerd.”

Mag het ietsje meer zijn, beste Europese Unie? Europa zou meer lef moeten tonen en zich uitdrukkelijk achter de Groene Beweginig in Iran scharen. Ja, het regime in Teheran zal de morele (of andere) steun aan de hervormingsbeweging misbruiken en de ‘westerse machten’ ervan beschuldigen achter de protesten te zitten. Maar dat is niets nieuws en het moet de EU niet tegenhouden of afschrikken. Op dit moment is uitdrukkelijke en uitgesproken steun aan de onderdrukte Iraniërs de enige juiste en correcte optie.

Nooit zal ik de oude vrouw vergeten die ik in Isfahan ontmoette tijdens een verkiezingsoptocht voor Mousavi en Khatami. Ze had stramme spieren en pijn in haar knie, maar wilde koste wat het kost de optocht meemaken. Ze kwam naast me zitten en vroeg of ik Mousavi kende, en wat men in Europa over hem dacht. Toen ik uitgesproken was, glimlachte ze en zei ze dit: “Je kunt niet geloven hoe gelukkig Iraniërs zijn als mensen in het Westen hen steunen. Het geeft ons extra energie.”

Beste lidstaten van de Europese Unie, spreek luid en duidelijk en met één stem. Doe meer dan in vage termen over respect voor vrije meningsuiting praten. Omhels de Groene Beweging in Iran, geef deze mensen extra energie en laat hen weten dat zij, en alleen zij aan de juiste kant van de geschiedenis staan. Europa zwijgt te veel, en zwijgen is de kant van het regime kiezen. Spreek, en spreek met één groene stem.