Toen ze nog op het platteland woonde, waren er haar blinde kat, de circushond, het papierkot, de vijf onsterfelijke knotwilgen en de beek waarin haar kwajongens van zonen rietjes in achterwerken van kikkers duwden om ze vervolgens de eeuwigheid in te blazen. Maar eind jaren tachtig werd het huis van mijn grootmoeder onteigend, want Vlaanderen moest worden volgestouwd met kmo’s en werkte koortsachtig verder aan zijn transformatie tot een zakdoekgrote bouwwerf.
Het grote huis dat mémé samen met mijn grootvader steen voor steen had opgebouwd, moest ze achterlaten. Ze belandde in een serviceflat in het centrum van onze provinciestad, waar ze niet langer naar de horizon kon turen maar uitkeek op een smalle, grijze straat. Elke dag ging ik bij haar op bezoek en altijd zat ik bij het raam, op de centrale verwarming naast haar zetel, die een van de weinige bezittingen was die ze uit haar gesloopte huis had meegenomen. Toen na een paar maanden de gewenning aan haar nieuwe omgeving was ingetreden, vroeg ze me steeds vaker om te beschrijven wat ik buiten zag. Meestal vertelde ik de waarheid. Soms verzon ik een voorbijganger om mijn verhaal sterker en haar genot groter te maken. Maar mémé werd met de dag gulziger naar indrukken, want de vrouw die een leven lang haar eigen verhalen kon verzinnen door gewoon een blik naar buiten te werpen, had niet langer genoeg aan mijn vertelsels. Lees verder