Column ‘De Morgen’: Adelaars

Toen ze nog op het platteland woonde, waren er haar blinde kat, de circushond, het papierkot, de vijf onsterfelijke knotwilgen en de beek waarin haar kwajongens van zonen rietjes in achterwerken van kikkers duwden om ze vervolgens de eeuwigheid in te blazen. Maar eind jaren tachtig werd het huis van mijn grootmoeder onteigend, want Vlaanderen moest worden volgestouwd met kmo’s en werkte koortsachtig verder aan zijn transformatie tot een zakdoekgrote bouwwerf.

Het grote huis dat mémé samen met mijn grootvader steen voor steen had opgebouwd, moest ze achterlaten. Ze belandde in een serviceflat in het centrum van onze provinciestad, waar ze niet langer naar de horizon kon turen maar uitkeek op een smalle, grijze straat. Elke dag ging ik bij haar op bezoek en altijd zat ik bij het raam, op de centrale verwarming naast haar zetel, die een van de weinige bezittingen was die ze uit haar gesloopte huis had meegenomen. Toen na een paar maanden de gewenning aan haar nieuwe omgeving was ingetreden, vroeg ze me steeds vaker om te beschrijven wat ik buiten zag. Meestal vertelde ik de waarheid. Soms verzon ik een voorbijganger om mijn verhaal sterker en haar genot groter te maken. Maar mémé werd met de dag gulziger naar indrukken, want de vrouw die een leven lang haar eigen verhalen kon verzinnen door gewoon een blik naar buiten te werpen, had niet langer genoeg aan mijn vertelsels. Lees verder

Column ‘De Morgen’: En het beest zeeg neder

Als de wereld te weten komt dat je boeken schrijft, gebeuren er vreemde dingen. Zo kreeg ik afgelopen week een mail van een man die me vertelde dat hij net een kortverhaal klaar had. ‘Begin dit jaar kreeg ik eens de kriebels om een kort verhaal te schrijven. (…) Maar het enige waar ik me enorm zorgen over maak is mijn zinsbouw, structuur, grammatica en andere fouten.’ Ik dacht aan wat Gerrit Komrij ooit neerpende over J. Bernlef: ‘In de laatste roman van Bernlef, Sneeuw, komen, hoewel hij enkele aardige en zelfs een aangrijpende scène bevat, drie kleinigheden voor die me niet bevallen: het verhaal, de stijl en de zogenaamd onderliggende gedachtengang.’

Vandaag is iedereen schrijver. En wil iedereen vooral schrijver worden. Maar dat kan niet, want met schrijven is het zoals met blondines: je bent het, of je bent het niet. Omdat ik een sentimentele afwijking heb, raakt diegene die verkondigt dat hij schrijver wil worden me recht in het hart, maar de eerlijkheid gebiedt me de wannabe daarna meewarig aan te kijken. Jammer, maar helaas, mijn beste. Misschien in een volgend leven. Lees verder