“Ahmadinejad komt zijn beloftes na”

Gepost op woensdag 17 juni 2009 om 14:40 op http://standaard.typepad.com/iran

Omdat de uitlaatgassen in het drukke centrum van Yazd de hitte ondraaglijk maken, zijn we de stad ontvlucht naar de Dakhmeh-ye Zartoshtiyun, of de Torens van Stilte. De woestijnstad Yazd is het hart van het zoroastrisme in Iran, en de Dakhmeh behoren tot de oudste overblijfselen van deze religie die hier voor de komst van de islam in de zevende eeuw de staatsgodsdienst was. In het preïslamitische Perzië geloofden de volgelingen van Zarathoestra dat om de puurheid van de aarde te eren men lichamen niet mocht begraven: de doden werden in open lucht achtergelaten in hoge torens, zodat roofvogels hen tot op het bot konden schoonmaken.

De Torens van Stilte hebben hun naam niet gestolen: ik hoor alleen wind, vogels en in de verte het vage geluid van auto’s en bromfietsen. Yazd ligt een paar honderd meter onder ons, en net wanneer ik de gids zeg dat we vandaag alleen op de wereld lijken, komen twee jongens de andere kant van de berg opgeklommen. Mohammad (21) en Masoud (30) wonen al hun hele leven in Yazd, maar nooit eerder hebben ze de Torens van Stilte bezocht. “Vandaag hadden we een dagje vrij, en we vonden dat het tijd was om iets nuttigs te doen,” lacht Masoud. Hij en Mohammad zijn gediplomeerde bouwvakkers, en beiden hebben ze een baan bij een constructiebedrijf dat Iraanse huizen van mozaïektegeltjes voorziet.

Masoud wrijft het zweet van zijn voorhoofd, zet zijn zonnebril af en kijkt me ernstig aan. “Khareji hasti, je bent buitenlander – wat vind je van de verkiezingen in Iran?” Ik kaats de bal terug en vraag hem op wie hij heeft gestemd. “Wat denk je?” antwoordt hij. Ik zeg dat ik vermoed dat hij een supporter is van Mousavi: hij draagt immers een zwart hemd, de kleur die veel aanhangers van Mousavi op dit moment dragen als teken van rouw. Hij lacht en schudt het hoofd: “Dat ik zwart draag, is puur toeval. Ik heb op Ahmadinejad gestemd en ben daar heel trots op.” Mohammad, die zich eerst wat op de achtergrond hield, komt dichterbij en knikt instemmend. “Ik heb ook voor Ahmadi gestemd. Er is geen andere keuze.” Waarom? Wat maakt hem in hun ogen zo geschikt als president van dit land? “Khube,” antwoordt Mohammad vol overtuiging, “kheili khube.” Ze vinden hem goed, heel goed, maar kunnen ze zich daar wat concreter over uitlaten? “Kijk,” neemt Masoud opnieuw het woord, “het is heel simpel. Ahmadinejad geeft om de armen, terwijl Mousavi alleen maar aan de middenklasse en de rijken denkt. Ik ken tientallen mensen die dankzij Ahmadi voor het eerst water en electriciteit in hun dorp hebben. Hij komt zijn beloftes na. Hier in Yazd heeft hij een brug aangelegd waar we al jaren zaten op te wachten. Hij is een man van de actie. En nog belangrijker: hij heeft lef. Heb je het debat op televisie gezien, waarin hij onze vroegere president Rafsanjani beschuldigde van corruptie? Fantastisch vond ik dat. Niemand in Iran durft zoiets hardop te zeggen, maar Ahmadinejad wel. Hij trekt zich niets aan van wat zijn tegenstanders van hem denken. Gisteren heeft hij zelfs gezegd dat Rafsanjani en Khatami hem hebben aangeboden om samen met hen in hun paleizen te gaan wonen, maar hij heeft geweigerd, omdat hij het liefst tussen de gewone mensen wil zijn. Dat vind ik mooi. Het ontroert me. Hij is een eenvoudige man. Wij begrijpen hem.”

Wanneer Mohammad me over zijn opleiding en zijn baan vertelt, vraag ik er of er op dit moment genoeg werk voor hen is. “Nee,” zegt hij. “Het gaat heel slecht. Er is weinig vraag naar wat wij doen en vaak moeten we tegen de helft van de prijs werken. Maar het is nu eenmaal zo. Het is kiezen tussen onderbetaald worden of helemaal niets verdienen.” Ik vraag of dit niet wat vreemd is: net zeiden ze dat Ahmadinejad goed is voor arme mensen en zijn beloftes nakomt, terwijl ze zelf moeten vechten om rond te komen? “Ahmadinejad kan niet alles oplossen,” haalt Mohammad zijn schouders op. Overal in de wereld is er crisis, maar het Westen doet alsof alle problemen in dit land de schuld zijn van Ahmadinejad.”

Over het Westen gesproken: Mohammad en Masoud geloven beiden dat de demonstraties in Teheran tegen de overwinning van Ahmadinejad gedirigeerd worden door Amerika. “Zij hebben alle belang bij een zwakke president,” zegt Masoud. “Ze misbruiken ons land. Er is geen sprake van dat Ahmadinejad de overwinning heeft gestolen. Ik ben er zeker van dat de protesten binnen een week afgelopen zullen zijn. Dan kan de rust terugkeren in dit land.” Wat bedoelt hij daarmee? “Gewoon, de normale manier van leven. Heb je gezien hoeveel meisjes de hijab niet respecteerden tijdens de verkiezingstijd? Dat stoorde me. Ze moeten zich islamitisch kleden. Dat is nu eenmaal de wet.”

Wanneer Masoud en Mohammad de berg weer willen afdalen, reiken ze onze gids de hand. Omdat mannen en vrouwen elkaar volgens de islam geen hand mogen geven, leg ik mijn recherhand op mijn hart en bedank ik hen, maar tot mijn verbazing komt Masoud naar me toe en geeft hij me een stevige handdruk.

Na twee weken in dit land moet ik er nog steeds aan wennen: in de Islamitische Republiek is niets ooit wat het lijkt.

Lachen met Reza

Gepost op dinsdag 16 juni 2009 om 18:17 op http://standaaard.typepad.com/iran

Dat er in tijden van politieke kommer en kwel in Iran ook nog plaats is voor humor, mocht ik vandaag ondervinden in het hotelletje in Yazd waar we verblijven. Toen we hier drie dagen geleden na een vermoeiende treinreis aankwamen, bleek de man achter de balie tot mijn grote verbazing Nederlands te spreken. Hij glimlachte breed en zei: “Goede dag! Iek heb twee kamers voor joelie!” Groot was uiteraard mijn verbazing, en nog groter de trots van Reza dat hij ons kon verwelkomen in onze eigen taal.

Reza is nooit in Belgie geweest, maar omdat in zijn hotel veel Belgische en Nederlandse toeristen komen, besloot hij op een dag om hen telkens naar een paar nieuwe zinnetjes te vragen. Na jaren heeft hij op die manier een basiskennis van het Nederlands opgedaan – naar eigen zeggen met veel hulp van de liedjes van Frank Boeijen.

Omdat we de kabab wat beu zijn, kookten we gisterenavond Belgisch, al was dat improviseren geblazen: aardappelen met een omelet-tomaat. Reza en onze gids genoten niettemin met volle teugen en “hadden nooit eerder zoiets gegeten”. Na het avondmaal vroeg Reza me wat verlegen of ik hem misschien wat nieuwe Nederlandse zinnetjes kon leren. Ikzelf zal alvast één zin van hem nooit vergeten. Toen we net aankwamen in het hotel en hij ons de sleutel van de kamer gaf, zei hij met een grijns op zijn gezicht in haast vlekkeloos Nederlands: “geen pis in de asbak en geen as in de pisbak”. Ik kan u verzekeren: zijn glimlach toen hij mijn schaterlach hoorde was goud waard.

Morgen vertrekken we naar Bandar-Abbas, een havenstad aan de Perzische Golf – een treinreis van tien uur wordt dat. Maar vanavond koken we nog als afscheid voor Reza spaghetti op zijn Belgisch-Perzisch.

Ook in Yazd is er stilaan verzet

Gepost op dinsdag 16 juni 2009 om 11:34 op http://standaard.typepad.com/iran

Sinds in Teheran massale protesten tegen de verkiezingsuitslag van afgelopen vrijdag zijn uitgebroken, krijg ik veel verontruste mailtjes van vrienden en familie. Of ik veilig ben, of ik iets merk van de onrust, hoe de situatie nu is?

Op dit moment zijn we in Yazd, een stad aan de rand van de Dasht-e Kavir en Dasht-e Lut woestijnen, en hier is het eigenlijk relatief rustig. Gisteren werd me in een aantal winkels verteld dat er een pro-Mousavidemonstratie was bij de Jameh-moskee, maar toen ik er meteen naartoe ging, was daar niets van te merken. Wel is er op straat meer en meer stil protest: vanmorgen zag ik een aantal mensen met in hun hals een sjaal met de groene kleur van Mousavi, mensen maken het vredesteken in onze richting en roepen ‘Mousavi’, en in de taxi’s wordt volop geklaagd over de huidige situatie.

Zelf hebben we het moeilijk om aan objectieve informatie te raken over wat op dit moment in Teheran en een aantal andere grote steden aan de hand is: de meeste nieuwssites zijn hier geblokkeerd. Ook het telefoonverkeer blijft een probleem: ik kan nog steeds geen sms’jes sturen. In het Iraanse journaal werden gisteren eerst beelden getoond van de protestmarsen in Teheran, en meteen daarna lieten ze Hillary Clinton zien, die zich uitsprak over de situatie in Iran. Protest in verband brengen met de Verenigde Staten en op die manier inmenging suggereren: duidelijker kon het niet.

In het internetcafe waar ik deze blog schrijf, is er ook stil verzet: onophoudelijk wordt hier het liede Yare dabestani gedraaid, dat de aanhangers van Mousavi tijdens de campagne zongen en dat ook ten tijde van de Islamitische Revolutie erg populair was:

“De sfeer is donker, jij en ik zijn vrienden, je bent mijn kameraad, wie anders dan jij kan mijn pijn verzachten. Onze handen zouden de woestijn van onze ongeletterdheid water moeten geven, het hart van de mensen die in deze woestijn leven is dood, onze handen zouden het gordijn dat ons zicht belemmert moeten scheuren.”

"De hoop is vermoord"

Gepost op dinsdag 16 juni 2009 om 11:00 op http://standaard.typepad.com/iran

Ze is zomaar een meisje dat aan de rand van de woestijnstad Yazd woont. Of nee, ik vergis me, eigenlijk is ze niet zomaar een meisje. Bij het Iraanse nationale ingangsexamen voor de universiteit eindigde ze bij de eerste vijftig, en dat op miljoenen deelnemers.

Sepideh – ‘hemel’ in het Perzisch – viel me meteen op toen ze ons kruiste. De warme wind speelde met de stof van haar lange zwarte chador en liet daardoor af en toe een glimp van haar strakke jeans en felgroene sneakers zien. Of zij misschien wist waar we water konden vinden, vroegen we, en vijf minuten later zaten we bij haar thuis op het tapijt. In haar gedrag bespeurde ik iets vreemds: onophoudelijk liep ze het huis rond en kwam ze de woonkamer binnen met telkens een andere Perzische lekkernij op een dienblad. Het leek alsof ze bang was om naast ons te komen zitten. Ze liet de tapijtjes zien die ze zelf geweven had, de gelooide geitenhuid waarmee ze boter maakt en de bronzen waterkoker die ze van haar voorouders had geërfd.

Wanneer ze na heel wat aandringen dan toch bij ons komt zitten, begint ze haar verhaal, zonder dat ik daarnaar gevraagd heb. “Ik ben gelukkig als ik buitenlanders in mijn huis kan uitnodigen. Het is mijn enige contact met de buitenwereld. Onze satelliet hebben we onlangs moeten weghalen: de politie deed er lastig over en de imam van de moskee zei dat het ongepast is dat een respectvolle familie van martelaren contact heeft met het Westen.”

Sepideh haalde een paar jaar geleden een Master in Psychologie aan de universiteit van Teheran en kon daarna aan de slag bij het Ministerie van Onderwijs. Een goedbetaalde baan, maar lang bleef het liedje niet duren. “Ik heb dit nooit eerder aan iemand verteld, maar ik denk dat ik het in de huidige omstandigheden gewoon móet doen. Ik ben ontslagen bij het Ministerie omdat ik make-up en nagellak gebruikte. Mijn baas zei dat ik een schande was voor de islam.” Ze speelt met de vele kleurrijke ringen om haar vingers. “Ik heb toen een zware depressie gehad. Soms kan ik het hier niet meer dragen en wil ik terug naar Teheran, maar hoe kan ik zomaar mijn familie achterlaten?

Haar hoge stem gaat plots nog scherper klinken. “Wat voor een land is dit eigenlijk? Ik rijd graag met de motorfiets, maar dat is ongepast voor een vrouw. Achterop mag ik zitten, dat wel, maar het stuur vasthouden is voorbehouden voor mannen. Als dat geen veelzeggend symbool is voor de Islamitische Republiek.”

Sinds haar ontslag bij het Ministerie werkt Sepideh nu als maatschappelijk assistente bij een NGO en moet ze met honderd dollar per maand zien rond te komen. “Het is erg moeilijk, en nu Ahmadinejad heeft gewonnen, heb ik nog maar weinig hoop. Ik kan het nog steeds niet geloven. Al onze waardigheid wordt ons afgenomen.” Wat als de kaarten toch plots anders komen te liggen en Mousavi de president van dit land wordt? Komt er dan verandering?

Sepideh slaat haar armen om haar knieën en kijkt naar buiten. “Misschien. Wie zal het zeggen? Veel Iraniërs durven niet meer te hopen, zeker niet na afgelopen vrijdag. De grootste misdaad van dit regime is dat ze onze hoop en daarmee onze menselijkheid hebben vermoord.”

Wanneer we terug in ons hotel aankomen, zit Sepideh tot onze verrassing op ons te wachten in de lobby: meteen nadat we vertrokken, is de politie bij haar langsgeweest. Toch wil ze dat ik haar verhaal neerschrijf: “Het is mijn plicht als Iraanse vrouw. Het is het enige wat ik kan doen. Vertel de mensen wat hier aan de hand is.”

"De maat is vol"

Gepost op zondag 14 juni 2009 om 10:31 op http://standaard.typepad.com/iran

Gisteren was het stil in Isfahan, maar tegen de avond was de politiek plots weer aanwezig in de straten van de stad. Een honderdtal fans van Ahmadinejad reden met hun scooters rondjes op het Naqsh-e Jahan plein en staken juichend de Iraanse vlag in de lucht. De meeste families die in het gras zaten te picknicken besteedden maar weinig aandacht aan de vreugdekreten.

Vanmorgen liepen we opnieuw Martin tegen het lijf, een jonge Britse rugzaktoerist die een paar dagen in Isfahan verblijft en straks samen met ons naar Yazd vertrekt. “I just can’t believe people remain so calm,” zei hij. “Ik vraag me af hoe lang het zal duren tot de protesten van Teheran naar hier overwaaien.” Martin zag gisteren in de vooravond hoe een vijftigtal aanhangers van Mousavi hun groene linten en vlaggen bovenhaalden en een demonstratie op gang probeerden te brengen, maar de politie kwam al snel tussenbeide.

Toen we net met Martin stonden te praten, kwam een man van een jaar of veertig naar ons toe, en de woede spatte uit zijn ogen. “Ahmadinejad is a fucking little shit,” zei hij. “It’s all lies. Don’t believe a word of it.”

Intussen doen steeds meer geruchten over massale verkiezingsfraude ronde. The Lede Blog, op de site van The New York Times, laat Iraniërs aan het woord over wat zij denken en meemaken. Nahid Siamdoust van Time Magazine vertelt bijvoorbeeld dat in Teheran hier en daar de kreet ‘Allah-o Akbar’ te horen is – net als ten tijde van de Revolutie. Een ander verhaal, dat intussen ook op straat de ronde doet, is dat Mousavi vrijdagnacht werd gebeld door het Ministerie van Binnenlandse Zaken met de mededeling dat hij de winnaar was, maar dat dat nog niet publiekelijk mocht worden meegedeeld. Mousavi negeerde die vraag en deelde wel mee dat hij gewonnen had. Een uur later liet het Ministerie van Binnenlandse Zaken weten dat Ahmadinejad de grote winnaar was, en dat terwijl nog maar twintig procent van de stemmen geteld was. Dat moment maakten we zelf mee toen we vrijdagnacht in het hotel naar de Iraanse televisie keken, en ik denk niet dat ik eerder in mijn leven zo verontwaardigd ben geweest als toen.

Tijdens de voorbije verkiezingscampagne heeft het Iraanse volk even van relatieve vrijheid kunnen proeven, maar nu slaat opnieuw de angst voor repressie toe. Zelf ondervinden we ook de veranderingen en de censuur: het internet werkt tergend langzaam of soms zelfs helemaal niet, websites als YouTube, Facebook en BBC zijn geblokkeerd, en telefoneren en sms’en is vaak onmogelijk.

Dat Iran een land van tegenstellingen is, dat wist ik al, en het is precies een van de dingen waarnaar we met deze reportage op zoek wilden gaan: enerzijds het traditionele Iran laten zien, en anderzijds het Iran dat volop bezig is met verandering. Zelfs in mijn meest pessimistische gedachten had ik niet kunnen geloven dat die verandering op zo’n pijnlijke manier zou worden tegengehouden.

“De Perzen zijn in hun recente geschiedenis al vaak vernederd,” zei Hamid me, een Mousavi-supporter die zijn volledige naam niet in de krant wil. Door buitenlandse machten en door onze eigen leiders. Maar dit hebben we nooit eerder meegemaakt. Ik geloof dat de maat nu echt vol is.”

Shah Abbas verwelkomt Mousavi

Gepost op donderdag 11 juni 2009 om 09:55 op http://standaard.typepad.com/iran

“Vrijheid van mening is onmogelijk zonder Mousavi”, “Dokter Ahmadinejad, ga naar de dokter”, “Als je vals speelt zal er chaos zijn in Iran”, “Mahmoud zal spijt hebben als er bedrog is in Iran”: het zijn maar een paar van de slogans die ik gisteren hoorde tijdens een indrukwekkende pro-Mousavidemonstratie in het historische centrum van Isfahan. De voormalige Iraanse president Khatami, die Mousavi steunt, kwam hier een toespraak houden, en het leek wel alsof de hele stad naar buiten was gekomen om naar hem te luisteren. Had ik totnogtoe soms nog de indruk dat de fans van Mousavi vooral jongeren zijn, dan werd dat beeld nu bijgesteld: jong en oud, arm en rijk – alle lagen van de bevolking liepen zingend, roepend of schreeuwend naar het fabuleuze Naqsh-e Jahan plein, dat in het begin van de zeventiende eeuw door Shah Abbas I werd aangelegd. Het is het tweede grootste plein ter wereld en lang geleden werd er polo gespeeld, maar gisteren stroomden er duizenden Iraniërs toe die hun ontevreden wilden uiten over het beleid van president Ahmadinejad.

Ik loop een tijdje mee met de demonstranten maar hou dat niet lang vol: bijna iedereen wil een interview en vraagt me wat ik van Agaye Mousavi (Mijnheer Mousavi) vind. Langs de kant van de weg is er iets meer ruimte om een rustig gesprek te voeren, en Yasamin (20) denkt er hetzelfde over: ze vraagt of ze naast me mag zitten. In het begin is ze wat verlegen, maar al snel vertrouwt ze me toe dat ze de leugens van Ahmadinejad beu is. “Ik schaam me dat hij de president van dit land is.” Een vrouw van een jaar of veertig in zwarte chador komt erbij zitten en zegt dat ook zij er genoeg van heeft: “Ik heb de politie een tijd geleden gezegd dat de kledingvoorschriften zo streng zijn dat ik geen zin meer heb om buiten te komen. Ze antwoordden: blijf dan gewoon binnen. Je ziet hoe ik gekleed ga – kan het nog islamitischer? Leugens, alleen maar leugens krijgen we te horen.”

Er worden groene papieren petjes uitgedeeld, vuisten gaan gebald de lucht in en een jongeman draagt op zijn buik een groot verbodsteken met daarop ‘liegen verboden’. Ik lees genot op het gezicht van vele mensen: verkiezingstijd geeft hen de kans om hun mening te uiten, en dat is anders in dit land verre van evident.

Na een klein uur verlaat de massa het Naqsh-e Jahan plein, dat sinds de Revolutie ook het Imamplein wordt genoemd. Sommigen vertellen me dat ze van de toespraak van Khatami niet zoveel gehoord hebben, omdat het plein daar veel te vol voor was. Mohammad (60) geeft een snelle samenvatting van de speech: Khatami heeft de mensen opgeroepen op Mousavi te stemmen, want hij is degene die de bevolking zal geven waar ze naar verlangen. Twee knappe jongedames komen meeluisteren en zeggen dat Khatami het ook over vrouwenrechten had, en dat was precies wat ze wilden horen. Mohammad onderbreekt hen: hij wil iets kwijt en vraagt me of ik het alsjeblieft verder wil vertellen. “Ik heb tijdens de oorlog tussen Iran en Irak in Khorramshahr gevochten. Ik hield veel van Khomeini. Maar er is een ramp gebeurd in dit land. Mensen over de hele wereld praten met elkaar via het internet, en onze president heeft het alleen maar over de komst van de Mahdi. Het is beschamend.”

Even later ga ik een kijkje nemen op het plein waar Khatami zijn toespraak hield. Boven het podium staat ‘Khatami, be Isfahan khosh amadi’ (Khatami, welkom in Isfahan). De duizenden posters van Mousavi en Khatami die hier werden achtergelaten kleuren het gras nog groener.

Ik had gisteren het gevoel getuige te zijn van een historisch moment in de geschiedenis van dit land: Isfahan, altijd een erg religieuze stad in Centraal-Iran, heeft op het Naqsh-e Jahan plein met duizenden de hervormingsgezinde Mir-Houssein Mousavi verwelkomd.

De halve wereld in het vooruitzicht

Gepost op dinsdag 9 juni 2009 om 17:36 op http://standaard.typepad.com/iran

“Wat brengt jullie hier?” Het is de vraag die me in Arak het vaakst gesteld werd, en zo verwonderlijk is dat niet: voor de inwoners van deze stad is het een ongewoon beeld dat buitenlanders hun straten verkennen. Arak, dat in het Westen vooral bekend is voor zijn kerncentrale, is een van de belangrijkste industriesteden van Iran. Met onder meer Wagon Pars en Arak Oil Refinery Company zijn respectievelijk de metaal- en de petrochemische industrie hier goed vertegenwoordigd.

Dat is meteen duidelijk wanneer onze trein de rand van Arak binnenrijdt: de ene grote fabriek ligt er naast de andere. Ook in het centrum van Arak is, behalve de prachtige bazaar, weinig Perzische charme te vinden. Het was dan ook niet de stad zelf die me aantrok, maar wel de streek errond: Farahan is de regio waar ’s lands bekendste Perzische tapijten worden vervaardigd, en heeft enkele van Irans belangrijkste politici voortgebracht, onder meer Mirza Abolghasem Ghaem Magham Farahani en Amir Kabir.

Over de vele charmes van het platteland had ik al eerder gehoord, en mijn verwachtingen werden ingelost: toen we Arak – een van de meest vervuilde steden van het land – verlieten, zagen we eindeloze gouden graanvelden en hoorden we kwetterende vogels – een geluid dat ik sinds mijn vertrek uit Belgie amper nog had gehoord.

De politiek was hier ver weg: geen affiches van Ahmadinejad of Mousavi maar oude lemen huizen, verdwaalde katten en vrouwen in vrolijke chadors. Wat precies de reden is weet ik niet, maar op het platteland, ver weg van de controle van politie en andere officiële instanties, verkiezen vrouwen misschien de bebloemde chador boven de zwarte.

In Moslehabad stoppen we een paar uur bij het winkeltje van Azam Navi en Fazlollah Mosleh. We worden als koningen ontvangen, en krijgen een rondleiding door hun prachtige, verwilderde tuin. De jongste dochter van Azam en Fazlollah, Mozghan (14), volgt me overal en is in de wolken met het onverwachte bezoek uit Belgie. Ze oefent haar Engels met mij en wanneer ik haar vraag wat ze later worden wil, zegt ze met blinkende ogen: “A doctor!”

Toen we ’s avonds weer in het centrum van Arak aankwamen, leek het alsof de stad in brand stond. Jongeren scheurden op hun motorfietsen door de straten: de aanhangers van Mousavi riepen dat je het land niet met een baard kan besturen, en wat de Ahmadinejad-fans schreeuwden kwam erop neer dat Mousavi een mietje is.Tientallen jonge Araki’s kwamen naar me toe omdat ze me wilden vertellen wat ze dachten over de toekomst van hun land. Voor het eerst sinds mijn verblijf hier merkte ik dat ik op mijn hoede was: nadat we in Qom een paar uur werden opgepakt door de politie – die ons van straat wilde houden omdat er een pro-Mousavibetoging aan de gang was – hou ik mijn ogen extra open voor de zwart geklede Basiji of traag voorbijrijdende politiewagens. Angst heb ik niet, want die geeft altijd slechte raad, maar voorzichtigheid is wel geboden. In alle Iraanse steden die we totnogtoe bezochten, voel je dat er iets aan het gebeuren is: in Arak zag ik, na Teheran, jongeren uit hun auto stappen en dansen op straat – een erg gewaagde actie in de Islamitische Republiek.

Laat op de avond was er opnieuw een debat tussen de presidentskandidaten, deze keer tussen Mousavi en Rezaii. Het is voor het eerst dat hier live een dergelijk debat wordt georganiseerd en uitgezonden, en de aandacht is dan ook enorm. Ahmadinejad zei dat het goed ging met de economie, en toen Rezaii statistieken liet zien met daarop de enorme inflatie waaronder Iran lijdt, zei Ahmadinejad zonder blozen dat hij andere bronnen had om zijn berekeningen te maken. Vanmorgen hoorde ik dat de straten van Arak na het debat deels werden afgesloten: de politie was bang dat de situatie uit de hand zou lopen.

Straks nemen we vanuit Kashan de trein naar Isfahan, een stad die in Iran ‘nesf-e jahan’ (de halve wereld) wordt genoemd.

Absolute vrijheid in Qom

Gepost op zondag 7 juni 2009 om 08:15 op http://standaard.typepad.com/iran

De weg van Teheran naar Qom is lang, stoffig en monotoon. Een kwartier nadat onze trein stipt op tijd de hoofdstad heeft verlaten, wordt bruin de overheersende kleur van het landschap. De rijkdom van het noorden van Teheran is hier ver weg: overal zie ik vervallen huizen, leegstaande fabrieken en kapotte auto’s. Af en toe rijdt in de verte een eenzame vrachtwagen voorbij of duwt een man een steekkar vol lompen voort.

Het is warm in de trein, maar met de ramen wijd open is de hitte draaglijk. We kopen thee, water en juju kabab (chicken kebab). In Iran heeft elke trein zijn eigen restaurant, al is die naam wat overdreven. Het eten heeft weinig smaak, maar de weg is nog lang en we kunnen beter met een volle maag toekomen in Qom.

Na Masshad is Qom de meest religieuze stad van de Islamitische Republiek. Het was hier dat ayatollah Khomeini in 1963 zijn ziedende speech gaf tegen de shah: zo zei hij onder meer dat wanneer de shah op de ingeslagen weg verderging, het volk dankbaar zou zijn wanneer hij het land op een dag zou verlaten. Khomeini werd in 1964 verbannen uit de stad, maar de conservatieve geestelijken bleven zich vanuit Qom tegen het bewind van de shah verzetten en het was hier dat uiteindelijk de Islamitische Revolutie haar oorsprong had.

Drie uur na ons vertrek uit Teheran rijdt de trein langzaam en met piepende remmen het station van Qom binnen. “Qom, Qom, Qom!” hoor ik iemand roepen. Wanneer we uitstappen, blijkt meteen dat we in een totaal andere wereld dan Teheran zijn terechtgekomen: ik word door bijna iedereen aangestaard. “Je bent westers,” zegt de gids, “lang en blond, en dat hebben de mensen nog niet vaak gezien.” Ik lach en zeg Ahmad dat ik helemaal niet blond ben, maar hij antwoordt dat ik naar Iraanse normen héél erg blond ben. Zowat alle vrouwen dragen hier de zwarte chador, en vooral oudere dames werpen me af en toe een verwijtende blik toe. Ik heb nog nooit zulke verhullende kledij als nu gedragen, maar toch voel ik me soms bijna naakt.

In Qom zie je niet de grote shops van Teheran, maar wel kleine winkeltjes waar vers brood wordt gebakken of sohan wordt gemaakt, de bekende zoetigheid uit Qom. De straten van deze stad lopen vol geestelijken in wapperende gewaden, druk bellend met hun supermoderne mobiele telefoons en daarna wegscheurend op hun motorfietsen.

We bezoeken het indrukwekkende Hazrat-e Masumeh, de plek waar Fatemeh, de zus van imam Reza in de negende eeuw begraven werd. Hassan (28) is leraar Engels in Qom en leidt ons rond. Wanneer ik hem vraag of hij voor Mousavi of Ahmadinjead zal stemmen, wil hij eerst niet antwoorden. Dan klinkt het tenslotte aarzelend: “Mousavi.” Meteen bespeurt hij de verrassing in mijn ogen: “Ik weet dat je dit niet zou verwachten op deze plek. Al mijn collega’s hier stemmen op Ahmadinejad. Maar het is genoeg geweest. Die man is echt veel te conservatief. Hij is zelfs gevaarlijk. Obama heeft gezegd dat hij wil praten, en dat is belangrijk, maar zolang Ahmadinejad aan het roer blijft, zal er van contact met Amerika geen sprake zijn. Nochtans hebben we dat nodig. Dit land heeft verandering nodig.”

Even later bevinden we ons in de drukke hoofdstraat van Qom, en hier is Ahmadinejad werkelijk overal aanwezig. Vrouwen in zwarte chador houden met de ene hand hun gewaad vast en in de andere hand een poster van hun president. Kapperszaken, bakkerijen, boekenwinkeltjes: het is al Ahmadinejad wat de klok slaat.

Plots zien we hoe een grote menigte zich verdringt bij een lange muur vol affiches. We gaan dichterbij en zien dat hier de supporters van Mousavi hun tenten hebben opgeslagen. Op een hoge tafel staat een televisie waarop een video wordt afgespeeld die het beleid van Ahmadinejad evalueert. Zodra we worden opgemerkt, verdringen tientallen mensen zich rond mij en smeken ze bijna om geïnterviewd te worden. Ze zijn overwegend jong, tussen de twintig en veertig, maar vanop op een afstand kijkt een oude man van een jaar of tachtig glimlachend toe. Hij vangt mijn blik op, wijst naar een poster van Mousavi en steekt zijn duim in de lucht.

Pezhman (20) stemt voor Mousavi omdat zijn sociale en economische plannen ‘stukken vooruitstrevender’ zijn dan die van Ahmadinejad. Wanneer ik hem vraag voor wie hij de vorige keer heeft gestemd, antwoordt hij dat hij zich dat niet meer herinnert. “We willen weer de banden aanhalen met de Verenigde Staten. We willen vrijheid en democratie. Khamenei is mijn leider en is goed, maar Ahmadinejad is niet goed.”

Mohammed Hussein (25) duwt Pezhman weg en zegt dat Ahmadinejad de enige keuze voor Iran is, omdat hij de morele waarden van dit land verdedigt. Bovendien: “Mousavi is een zwak man, want hij kan niet zonder de steun van Khatami.” Mohammed lijkt steekt een stevig betoog te willen afsteken, maar wordt plots naar buiten geduwd door een aantal aanhangers van Mousavi. “De fans van Ahmadinejad hebben genoeg kansen om hun boodschap te verkondigen. Dit is ons hoofdkwartier, en hier moeten ze wegblijven.”

We wandelen verder en stuiten op een ander campagneteam: dat van Mehdi Karroubi. Sadeq Chehrqani is twintig en zegt dat vele kandidaten voor de verkiezingen maar een paar maanden daarvoor de politieke arena betreden, maar dat geldt niet voor Karroubi: hij heeft ervaring in de Iraanse politiek. “Karroubi zal vrouwen en etnische en religieuze minderheden beter behandelen. Hij heeft de jonge mensen ook verandering beloofd.” Achter Sadeq (links) hangt een poster van Karroubi waarop in grote Perzische letters ‘BIG CHANGE’ staat.

’s Avonds laat zijn de straten van Qom nog steeds in de ban van de verkiezingscampagne: op televisie wordt het tweede live debat tussen de presidentskandidaten uitgezonden, deze keer tussen Ahmadinejad en Karroubi. Aan elke winkel die een televisie heeft, verdringen de mensen zich om een glimp van het debat op te vangen. Op een pleintje aan de rand van de stad hebben fans van Ahmadinejad een tafel met een wit deken bedekt en daarop een televisie neergezet. Ik vraag Mansoureh, een jong meisje dat de chador draagt, waarom ze voor Ahmadinejad stemt. “Hij is dapper. Hij is van het volk. Hij is rechtvaardig. Hij is de allerbeste.” Ik vraag haar of ze het rechtvaardig vindt dat onder deze president bijvoorbeeld de kledingvoorschriften voor vrouwen zoveel strenger zijn geworden? “Hij is rechtvaardig. Jullie begrijpen niet dat vrijheid in je hoofd zit. De hijab is absolute vrijheid.”

Van Tochal naar Qom

Gepost op zaterdag 6 juni 2009 om 09:22 op http://standaard.typepad.com/iran

Vandaag deden we wat veel Teherani’s tijdens hun weekend doen: we trokken de bergen in. Het noorden van Teheran staat bekend als het rijkste deel van de stad, waar de clandestiene feestjes plaatsvinden, vrouwen hun nagels in felle kleuren lakken en jonge koppeltjes hand in hand lopen.
Over de feestjes kan ik niets vertellen, maar voor de rest bleek het beeld te kloppen: op weg naar Tochal, dat zich aan de voet van het Alborzgebergte bevindt, leken we plots in het westen te zijn beland. De beeltenis van Khomeini heb ik er maar zelden opgemerkt, de meisjes waren haast te mooi om waar te zijn en ik zag reclameborden van DeLonghi, Nescafé en Mercedes.

Ik hou van het razend drukke centrum van Teheran , maar het was een opluchting om even schone lucht te ademen: na vier dagen heb ik keelpijn van de smog en ziet mijn huid er niet bepaald fris uit. Maar wat ik aan onze wandeling door het voorgebergte nog het leukst vond, was dat niemand er zich leek aan te storen dat ik mijn sluier helemaal achterop mijn hoofd liet vallen: haast alle vrouwen lopen er in Tochal zo bij. Ik voelde me op bepaalde momenten in vergelijking met de Perzische meisjes zelfs totally overdressed: strakke jeans, manteau en zelfs hoge hakken maken er het straatbeeld uit.

Over de liberale sfeer in het noorden van Teheran had ik al veel gehoord en gelezen, maar toch werd ik vandaag nog verrast: in Tochal zag ik hoe een razend knappe Iraanse jonge vrouw zich oefende in de kunst van het boogschieten, en iets verder bleek er zowaar een paintballclub te zijn.

De veertienjarige gids van onze zoon kwam vandaag met ons mee, en hij vond het heerlijk om met mij over westerse muziek te praten. Nóg enthousiaster was hij toen hij ontdekte dat ik Benyamin ken. “Ci? Wat? You know him? How come?” Benyamin is in Iran een superster: zijn muziek heeft flink wat westerse invloeden en zijn liedjes zijn echte meezingers. Elke dag sinds mijn verblijf hier heb ik ergens wel Benyamin horen zingen.

Wanneer we ’s avonds terug in de benedenstad zijn, lijkt het alsof de stad in brand staat. Het verkeer zit muurvast: de supporters van Mousavi voeren campagne in de wijk Tadjris, in het noorden van de stad. Aan de antennes van hun wagens wapperen groene ballonnen, en jongens en meisjes hangen uit het raam met aan hun armen en rond hun nek groene linten. “Mousavi, Mousavi, Mousaviiiiiiii!” Tot mijn verbazing stappen uit een gammele auto plots een vijftal jongens en meisjes die midden op straat uitbundig beginnen te dansen – ten strengste verboden in de Islamitische Republiek. Langs de kant van de weg zie ik een politieagent toekijken. Hij lijkt zijn ogen niet te kunnen afhouden van het spektakel, maar begint dan toch maar duchtig te sms’en en aan zijn sigaret te trekken. De orde herstellen doet hij niet, en dat past bij het plaatje dat me eerder deze week werd geschetst door een aantal locals: de busjes van de zedenpolitie, een schrikbeeld in de straten van Teheran, zijn sinds een tweetal weken verdwenen. Ahmadinejad weet dat zijn herverkiezing op het spel staat en voelt de hete adem van Mousavi in zijn nek, dus werd het tijd om even zijn imago op te poetsen.

Na een tijdje willen we weg uit de razende drukte, maar een taxi te pakken krijgen die ons naar Meydune Ferdousi (Ferdousi Square) wil brengen is haast onmogelijk: het hele noorden van Teheran is op zoek naar een taxi. Een kleine maar stevig gespierde Teherani snelt ons ter hulp: hij hoeft helemaal niet in het centrum van de stad te zijn maar wil ons helpen: we zijn immers buitenlanders, zegt hij, en bovendien zijn we journalisten. In ons land zijn journalisten niet erg geliefd, maar in Iran is dat helemaal anders: omdat zij degenen zijn die vaak de waarheid over het regime aan het licht brengen, krijg je van Iraniërs een glimlach wanneer je vertelt dat je journalist bent.

Over glimlachen gesproken: het cliché dat Perzen zo vriendelijk en gastvrij zijn, klopt helemaal. Zodra ze nog maar zien dat je bijvoorbeeld de weg niet goed weet, komen ze dichterbij. Toen we gisteren in een fruitwinkel met euro wilden betalen omdat er op zondag geen wisselkantoor open was, zei de eigenaar dat hij alleen dollars kon aanvaarden, maar om het goed te maken, kregen we een gratis een halve kilo kersen. In de meeste moskees delen mensen ’s avonds snoepjes uit, en toen we gisteren naar de optocht voor Mousavi keken, trakteerde een oude man zowat heel Tadjriz Square op dadels.

Eerst dacht ik dat die grote vriendelijkheid kwam omdat we buitenlanders zijn, maar dat is een vergissing: ook onder elkaar zijn de Iraniërs vriendelijk en vooral beleefd. In België de weg aan iemand vragen stuit nogal vaak op een kort en warrig antwoord, maar wanneer hier een taxichauffeur in het gigantische Teheran de weg vraagt, komen er meestal meerdere mensen rond zijn auto staan om hem verder te helpen.

Vanmiddag vertrekken we met de trein naar Qom, na Masshad de heiligste stad van het land. Benieuwd hoe het daar gesteld is met de aanhang van Mousavi.

Picknicken met ayatollah Khomeini

Gepost op vrijdag 5 juni 2009 om 08:16 op http://standaard.typepad.com/iran

“Ahmadinejad! Ahmadinejad! Ahmadinejad!” De mensenmassa schreeuwt zijn keel schor en balt de vuisten hoog in de lucht. Er worden posters in glanzend kleurrijk papier uitgedeeld van de huidige Iraanse president, en steeds opnieuw klinkt het: “Iran! Ahmadinejad! Iran, Iran, Iran ! “

Het is twaalf uur ’s middags, bloedheet, en we bevinden ons tussen duizenden Iraniërs die op 4 juni traditiegetrouw de dood van ayatollah Ruhollah Khomeini herdenken, de stichter van de Islamitische Republiek die twintig jaar geleden overleed. Eigenlijk liet de opperste leider op 3 juni het leven, maar voor het gemak hebben de autoriteiten zijn herdenkingsfeest een dag later geplaatst: op 5 juni wordt immers ook de Revolte van Khordad 15 herdacht, toen Khomeini in 1963 zijn befaamde speech gaf tegen de shah en hem vergeleek met de beruchte Iraanse tyran Yazid. De feestdagen van 4 en 5 juni sluiten nu mooi op elkaar aan, en dat komt het regime beter uit: één grote, lange, tweedaagse herdenking van Khomeini.

Place to be voor de herdenkingsfestiviteiten is het mausoleum waar ayatollah Khomeini begraven ligt, even buiten Teheran, naast het beroemde kerkhof Behesht-e Zahra (Het paradijs van Zahra), waar miljoenen slachtoffers van de Iran-Irakoorlog hun laatste rustplaats hebben. Terwijl Pieter-Jan in de moskee verdwenen is om – na een grondige scan van zijn camera’s – het graf van Khomeini te fotograferen, wandel ik met onze gids Amad over het terrein. Een jongen van nauwelijks zestien komt naar me toe en duwt een poster van Ahmadinejad in mijn handen: de foto toont hoe de president het hoofd buigt en de hand kust van een oude sjofele man. “Ahmadinejad piruzi! Ahmadinejad overwint!”, zegt de jongen. Ik vraag hem waarom hij een aanhanger is van de huidige president, en in een mum van tijd staan zeker vijftig jongens van een jaar of achttien om me heen en verdringen ze elkaar om mij te kunnen spreken. “Niemand luistert ooit naar hen,” zegt Amad, “en in jou zien ze hun kans.”

Mohammad Reza is zeventien en zegt dat hij zou willen sterven voor Ahmadinejad. “Waarom,” vraag ik? Hij verheft zijn stem. “Hij is sterk! Hij is niet bang van de grote wereldmachten die ons willen verpletteren!” Er volgt gegil en gejuich, en velen steken de Iraanse vlag hoog in de lucht. “En,” gaat Mohammad verder, “hij is een vriendelijke, zachtaardige man. Hij houdt van de armen. Hij komt zelf uit een gewone familie. Mousavi is rijk en dom.” Een andere jongeman tikt me op de rug: “Mousavi willen we niet! Toen hij eerste minister was, heeft dit land acht jaar in oorlog met Irak geleefd. We hebben een president nodig die iedereen in één beweging kan verslaan en verpletteren. Mousavi is een zwakke man. Hij durft niets.” Hij steekt een lint met de kleuren van de Iraanse vlag in de lucht, en, zo vertelt mijn gids, dat doet hij op een erg symbolisch geladen manier: met de rode kleur bovenaan, zoals ten tijde van de Iran-Irakoorlog.

Net terwijl ik denk dat dit Ahmadinestan is en iedereen hetzelfde verhaal vertelt, wurmt zich tussen de menigte iemand die alleen al door zijn kledij opvalt: de meeste jongens zijn hier in het zwart gekleed, terwijl deze man een wit hemd draagt met lichtblauwe streepjes. Hij komt naar me toe en zegt luid en duidelijk: “Ik stem voor Mousavi!” Verbazing alom bij de omstaanders, maar niemand wordt agressief. Meer nog: de jongens stoppen eventjes met schreeuwen en luisteren zowaar naar wat hun politieke tegenstander te vertellen heeft. “Mousavi is beter voor het land. Hij heef ervaring in de politiek. Hij heeft het land acht jaar lang geleid toen we in oorlog waren. Ik geloof dat hij dit Iran kan veranderen. De werkloosheid is hoog, de benzine is te duur en we leven in isolement van de rest van de wereld. Mousavi wil contact met Amerika, en dat is belangrijk voor Iran.” Een paar seconden wordt het stil en lijken de Ahmadinejad-fans even knock-out geslagen door de argumentering van de jongeman. Maar al heel snel herneemt het geschreeuw zich: “Ahmadinejad! Mahmoud! Ahmadinejad piruzi!” Zoveel is zeker: de aanhangers van Mousavi gaan ervoor en zijn niet bang om zich in het hol van de leeuw te wagen: gisteren de optocht in het zuiden van Teheran; vandaag de actie van deze jongeman.

Het Iman Khomeini Mausoleum en de uitgestrekte grasvelden eromheen is de plek waar ik voor het eerst zoveel aanhangers van Ahmadinejad samen heb gezien. Meestal zijn ze arm en hebben ze niet echt een duidelijk antwoord op de vraag waarom ze hun president en lieveling een tweede ambstermijn gunnen. Meestal klint het gewoon ‘khube’: hij is goed. Wanneer ik vraag waarom, volgt ofwel stilte, ofwel de retoriek van slaan, verpletteren, dood aan Amerika en dood aan Israel. Het regime blijkt zijn aanhang ook goed te kennen, want overal worden gratis water, thee en koekjes uitgedeeld. De herdenking van Khomeini’s dood heeft dan ook meer weg van een zondagse picknick dan van een echt religieus feest: in de moskee zag Pieter-Jan mensen spelletjes spelen met hun gsm of kruiswoordraadsels invullen, en op de grasvelden buiten hebben honderden Iraanse families hun tent opgezet en wordt er uitgebreid gepicknickt.

Meestal is de sfeer vriendelijk, en de nieuwsgierigheid naar de enige twee westerlingen tussen de mensenmassa is enorm. “Salam, khareji!” Hallo buitenlander! Jongens van nog geen achttien die net met hun vaders uit de moskee zijn gekomen proberen me met hun beste Engels te versieren, en ook veel vrouwen wuiven me vanop hun picknickveldje toe en vragen waar ik vandaan kom. “Hun nieuwsgierigheid naar de buitenwereld is enorm,” zegt Amad. “Ze zien wel westerlingen op televisie en op internet, maar zelden in het echt. Vandaar dat iedereen zo achter je aan loopt en met je wil praten.”

Een paar keer wordt de sfeer grimmig. Een Iraanse jongeman vraagt of ik journalist ben en vertelt me even later dat hij hier is omdat hij van Khomeini houdt, maar dat Ahmadinejad de islam aan het kapotmaken is. “Mousavi kan ons land vooruithelpen, maar mét respect voor de godsdienst. En geloof me: hier is het aantal jongeren dat Ahmadinejad steunt groot, maar nog veel groter is het aantal dat zijn strenge zedenpolitie en absurde regeltjes beu is.” Terwijl ik sta te luisteren, zie ik in mijn ooghoeken een aantal mannen dichterbij komen die helemaal in het zwart gekleed zijn, combat boots inclusief. Ze blijven op een meter of tien afstand, en plots zie ik een van hen lange tijd naar me kijken, om daarna iets in te spreken op zijn walkie talkie. Wanneer ik me vervolgens snel uit de voeten maak, verdwijnen de men in black even snel als ze gekomen waren. “De geheime dienst,” zegt Amad. “Op een dag als vandaag zijn ze overal aanwezig. Ahmadinejad wil alles onder controle houden, zeker nu zijn herverkiezing op het spel staat.”

Wanneer ik iets later Amad niet meer kan vinden, voel ik me geen moment meer op mijn gemak en heb ik het gevoel dat iedereen me aanstaart. Plots komen vier vrouwen naar me toe en wijst een van hen naar mijn tuniek. Ze wijst naar mijn armen en zegt: bad hejabi, wat zoveel betekent als: je bent niet islamitisch genoeg gekleed. Mijn armen zijn tien centimeter bloot, en dat is voor sommige religieuze vrouwen hier blijkbaar een shock. Waarschijnlijk om dezelfde reden wordt me de toegang tot het graf van Khomeini geweigerd: de politie heeft mij toestemming gegeven, maar de vrouwen die de ingang van het schrijn bewaken denken er anders over. Opnieuw wordt naar mijn onderarmen gewezen, en wanneer ik naar een chador vraag, word ik met aandrang verzocht om rechtsomkeer te maken.Het maakt me kwaad, maar ik beheers me.

Voor het eerst sinds mijn verblijf hier heb ik een hekel aan de sluier op mijn hoofd: het liefst wil ik de wind in mijn haren voelen en me in short en t-shirt neervleien in het gras.