Gespannen sfeer op 25 Khordad in Iran


Afgelopen zaterdag was er in Iran de herdenking van de frauduleuze verkiezingen van 12 juni. Vandaag is opnieuw een belangrijke dag, namelijk de herdenking van ’25 Khordad’ of 15 juni 2009. Vorig jaar waren er toen in Teheran massale protesten tegen de uitslag van de presidentsverkiezingen, met miljoenen mensen die de straat opkwamen. Ik was toen in Yazd, en de Belgische ambassade belde me op met de mededeling dat we beter het land zouden verlaten, maar we bleven.

Of er vandaag protesten zullen zijn in Iran, is een vraag die velen bezighoudt, maar het regime heeft in elk geval weer goed zijn best gedaan om de oppositie en de Groene Beweging op stang te jagen. Zondag hebben Basiji en andere handlangers van het regime namelijk de kantoren en huizen van ayatollah Montazeri (overleden in december vorig jaar) en ayatollah Sanei aangevallen – twee vooraanstaande, hervormingsgezinde Iraanse geestelijken die zich kritisch uitlieten over het bewind van ayatollah Khamenei en president Ahmadinejad. Het is geen toeval dat de hardliners net nu hun verblijfplaatsen aanvielen: de voormalige presidentskandidaat en oppositieleider Mehdi Karroubi was zondag in Qom aangekomen om zijn respect te betuigen aan de overleden ayatollah Montazeri, en om ayatollah Sanei te bezoeken. De Iraanse oproerpolitie echter heeft maandag Karroubi ontzet. Aanhangers van de regering hadden het huis in Qom omsingeld waar hij verbleef. In de vroege ochtend maakte een aanzienlijk aantal leden van de oproerpolitie een wig in de omsingeling om te zorgen dat Karroubi in zijn auto kon passeren, aldus de website rajanews.com (foto bij dit bericht: Karroubi’s auto na de aanval). Terwijl de oppositieleider ontsnapte, schreeuwde de menigte leuzen tegen hem en de politie. Zij eisten de vervolging van de geestelijke.

Die andere Iraanse oppositieleider, Mir-Hossein Mousavi, bracht gisteren een verklaring (lees hier de Engelse vertaling) op zijn website Kaleme naar aanleiding van de aanvallen op de huizen van Montazeri en Sanei. Hij maakte daarin een heel treffende opmerking: “Is het regime vergeten dat het de aanval op het huis van ayatollah Khomeini was die de weg vrijmaakte voor de liquidatie van de wortels van de tirannie, op 6 juni 1963, en daarmee het fundament voor de revolutie van februari 1979 werd gelegd?”

Het is een verstandige vergelijking: op 3 juni 1963 stak ayatollah Khomeini een ziedende scheldtirade af tegen zijn vijand de shah, die zijn reputatie zou vestigen als de onbetwiste leider van de radicale islam. De datum was goed uitgekozen: op 3 juni vieren de sjiieten Ashura, het feest dat het martelaarschap herdenkt van de geliefde Imam Hossein, de kleinzoon van de profeet Mohammed. Khomeini vergeleek de shah met Yazid, de moordenaar van Hossein, suggereerde dat het Iraanse staatshoofd een agent van Israël was en sprak hem aan als “jij ellendige, miserabele man”. “Welk verband is er tussen de shah en Israël? Mijnheer de shah, misschien willen ze u afschilderen als een jood, zodat ik u een ongelovige kan verklaren en het volk u uit Iran zou gooien.” Twee dagen later, op 5 juni (Khordad 15), werd Khomeini in zijn huis in Qom gearresteerd, wat tot rellen in het hele land leidde. De zaadjes van de Islamitische Revolutie waren geplant.

Blijkbaar leert het regime dus niet uit het verleden. De aanval op de huizen van Montazeri en Sanei zijn het zoveelste bewijs van de absolute paniek waarin de Iraanse hardliners verkeren, en van mijn overtuiging dat hun liedje niet lang meer zal duren.

Stemmen in België, stemmen in Iran


Gisteren om zes uur uit de veren om in een stembureau ‘bijzitter’ te zijn voor de Belgische federale verkiezingen. Ik geef toe dat toen ik de oproepingsbrief kreeg om bijzitter te zijn, ik in het begin wat gemord heb, maar al snel besefte ik dat het eigenlijk een privilege is om zoiets te doen: we moeten nooit vergeten wat een voorrecht het is in een democratie te leven.

Ik had dus verwacht een mooie voormiddag te beleven, maar was eigenlijk behoorlijk ontgoocheld. Het viel me op hoeveel mensen tegen hun zin komen stemmen. Ik zag vooral jongeren diep zuchten toen ik hen de roze en gele stembrieven overhandigde. Ik zeg niet dat ik de ontgoocheling van velen in de Belgische politiek niet begrijp. Maar opmerkingen als ‘we zijn weer de helft van onze zondag’ kwijt stoorden me mateloos. Het deed me terugdenken aan mijn 13 juni in Iran vorig jaar, toen ik door de straten van Isfahan liep en voelde dat de doodse stilte er een voor de storm was: er was massale fraude bij de uitslag van de presidentsverkiezingen en Teheran stond al in brand. Daar en toen hunkerden mensen naar democratie; gisteren zag ik mensen de democratie al te vanzelfsprekend vinden.
De foto bovenaan dit bericht nam ik in Isfahan, op verkiezingsdag. De vreugde op het gezicht van de jongeren omdat ze mochten stemmen en hoopten op verandering kan niet sterker contrasteren met de vele lange gezichten die ik gisteren gezien heb.

Missen


‘Domweg gelukkig in de Dapperstraat’, schreef J.C. Bloem in zijn gelijknamige bekende gedicht. Wel, vorig jaar op dit tijdstip was ik domweg gelukkig in de Chahar Bagh-straat van Isfahan. Ik had een fantastische namiddag beleefd bij een Iraanse familie in de voorstad Shahinshahr – een ontmoeting die ik in mijn boek uitgebreid beschreven heb. Nu viel de avond en wandelde ik door de bekendste laan van mijn droomstad Isfahan, op weg naar de Si-o-se Pol of ‘de brug met 33 bogen’, waar veel Isfahani de avond doorbrengen en verliefde koppeltjes zich verstoppen onder de vele bogen.

In het gras langs de waterkant zat ik naar de verlichte brug te kijken. Ik hoorde twee jongemannen naast mij over de politiek praten: de dag nadien, 12 juni, mochten ze gaan stemmen, en ze waren opgetogen. De ene zei dat Mousavi zeker zou winnen. De ander knikte en lachte: ‘Dacht je dat ik dom was, misschien? Natuurlijk gaat hij winnen!’
De lucht zinderde van opwinding en verlangen, verlangen naar de dag van morgen, 12 juni, wanneer Iran mocht gaan stemmen en ze eindelijk nog eens voor wat verandering mochten kiezen. Uren heb ik daar gezeten, luisterend naar de gesprekken van de mensen, soms zelf met hen pratend, met thee en koekjes erbij.
Ik weet nog dat ik toen dacht: Hier kom ik binnenkort een tijdje wonen. Als ik terug in België ben, ga ik kijken hoe ik dat kan regelen.
Een jaar later heb ik al vijf keer een visum aangevraagd voor Iran, en al vijf keer ben ik geweigerd. Een jaar later mis ik Iran erg en kom ik tot deze vreemde vaststelling: dat het bestaat, van een land houden dat het jouwe niet is, er zo van houden dat je er zelfs in je dromen naartoe reist.

Khomeini onder een dikke laag stof

Vandaag volg ik de Nederlandse verkiezingen, denk ik aan de Belgische verkiezingen van zondag én rijd ik ook door het majestueuze berglandschap van de lange weg tussen Arak en Kashan, nu een jaar geleden.
Eigenlijk was het op 9 juni 2009 de bedoeling om per trein van Arak naar Kashan te reizen, maar daarvoor moesten we een omweg maken langs Qom (het Vaticaanstad van Iran, maar dan tien keer erger) en in die stad werden we urenlang opgepakt door de politie en daarna kordaat verzocht om niet te lang meer in de straten van de stad rond te hangen.Over de prachtige autotocht met taxichauffeur Hamid heb ik in Duizend-en-één dromen uitvoerig geschreven.
Ik wil het hier over iets anders hebben. Over iets moois wat ik beleefde in de tapijtweverij van Gholam Reza, een tachtigjarige man die nog elke dag met handen en voeten zijn zijden Perzische tapijten weeft. De weverij bevond zich in een kelder, en fotograaf Pieter-Jan en ikzelf zagen meteen het prachtige portret van ayatollah Khomeini dat er aan de muur hing, in een donker hoekje van de kelder, helemaal onder het stof. Voor wij ‘westerlingen’ natuurlijk een mooi symbool van wat ik al eerder had gemerkt tijdens mijn reis: dat ayatollah Khomeini in Iran helemaal niet zo geliefd is als wij hier wel denken – integendeel. Meestal hangt zijn portret aan de muur omdat Iraniërs geen andere keuze hebben.
Pieter-Jan maakte een opstelling om in de donkere kelder een foto van het bijna pop-artachtige portret te maken. Plots nam Gholam Reza een ladder en veegde hij met zijn rechterhand een deel van het dikke stof weg. Pieter-Jan gilde: “Na, na! Niet doen!” De man begreep het niet: moet een portret dan niet netjes zijn als je er een foto van maakt? Tegelijk las ik wat schaamte in zijn ogen: eigenlijk hadden de wevers nog nooit de moeite gedaan om het dikke stof weg te halen, en dat is natuurlijk veelzeggend.
Zelf nam ik dus ook een foto van het portret. Khomeini onder het stof. Laten we hopen dat we snel een portret van Khamenei onder het stof daarnaast kunnen hangen.

Het leven, de mens, de herinneringen, en Iran, nog steeds Iran


Belgisch zomerweer, al de hele dag. Ik stond op met de zon, daarna kwam er een plensbui, dan weer zon, en nu giet het water.

Het weer buiten past niet bij het weer in mijn hoofd. Ik verklaar mij nader: dezer dagen zit ik met mijn gedachten weer helemaal in Iran. Het is een jaar geleden dat ik er op reportage was, en blijkbaar zit de menselijke geest zo in mekaar dat wanneer iets een jaar geleden is, we er vaker aan terugdenken – daarop is immers het principe van verjaardagen gebaseerd.

Dag op dag een jaar geleden was ik voor het eerst in Arak, de stad die in het Westen vooral bekend is omwille van de kerncentrale die er gebouwd is. Van Arak herinner ik me onder andere dat het de meest ‘normale’ stad was die we tot dan toe bezochten: eerst kwam Teheran, en pas toen wist ik wat het woord ‘drukte’ betekende; daarna kwam Qom, en pas toen wist ik wat het woord ‘streng-islamitisch’ betekent.
Maar Arak, nee, Arak was anders. Arak hield het midden tussen Teheran en Qom, en ik voelde me er meteen op mijn gemak. Heerlijk vond ik het hoe de stad volledig omringd was door de bergen; er als een soort ‘kuil’ middenin lag. Ik zag bergen waar ik ook keek; bruingele bergen.
Toen ik op mijn eerste avond in Arak een heel lange wandeling door de stad maakte en de zon langzaam zag verdwijnen achter de bergen, had ik in mijn hoofd plots het beeld van een menselijke hand die het hoofdje van een baby omsluit, voorzichtig, zacht, beschermend. Zo voelden de bergen van Arak aan. Als een eeuwig, oeroud, menselijk gebaar, dat de steeds veranderlijke realiteit omhelst.
Toen het ’s avonds donker werd en ik alle hoekjes van de bazaar had verkend, kwamen er plots twee jongemannen naar me toe. Supporters van Mir-Hossein Mousavi. Nooit zal ik de baby vergeten die een van hen in zijn armen droeg. Eerst dat hoofdje van de baby in mijn gedachten, daarna deze echte baby, die de jongens beschermden en voor wie ze een betere en groenere toekomst wilden.
Alles is na 12 juni 2009 anders uitgedraaid dan we verwacht hadden. Maar de bergen van Arak zijn er nog, en op groen moeten wij, die van Iran houden, alleen nog maar een beetje wachten. Met geduld komen we er wel.
PS Vanaf nu zal ik op deze blog elke dag terugblikken op mijn reis.

Ik haat hen

Dagelijks lees ik met verbijstering en pijn getuigenissen van Iraniërs die in Evin (beruchte gevangenis in Teheran) en andere gevangenissen de vreselijkste folteringen ondergaan. Ik word er letterlijk misselijk van. Het enige sprankeltje hoop dat ik aan deze berichten kan vastknopen, is dat het regime wel erg bang moet zijn als ze steeds driester te werk gaan.

De getuigenis van deze gevangene moet ik absoluut de wereld insturen. Bahram Tasviri Khiabani is een van die vele dappere Iraniërs die ons wil laten weten hoe het eraan toe gaat achter de tralies van Iran. Hij heeft iets gedaan wat zijn situatie nog gevaarlijker kan maken: in Rajai Prison in Karaj heeft hij een videoboodschap opgenomen waarin hij getuigt over hoe hij er wordt mishandeld.
Ik dacht nooit dat ik haat kon voelen, maar ik voel steeds meer oneindige haat voor het Iraanse regime.
Maar ruze ma khahad amad, our time will come.
Hier volgt de Engelse vertaling van de videoboodschap van Bahram.

In the name of God, I am Bahram Girovani, the son of Mohammad. I went to the security offices to file a complaint about a situation. The day I went, Mr. Akharian (head of ward 1 in Rajai Shahr prison) got angry and threatened me. He hit me even though I begged him not to.

I asked him to please let me get in touch with my family. He said he would do it himself and asked for my number. He got my number and called my mother. He told my family that Bahram is dead and that they need to come to the hospital to pick up the corpse.

I was told that when my mother heard this news, she had a heart attack and got very sick. My family went to the hospital where they were told I wasn’t dead and they realized they had been lied to.

I was asked about who I gave my house number to and I responded that I had given it to Mr. Akharian. They said they would keep me for five days, and after a week, I asked them to please give me permission to get in touch with my family and allow me to take my medications. I had been under a physician’s care and was taking about 15 pills due to a medical condition, but they took those pills away.

I wasn’t feeling well and begged them to let me speak to someone in charge, but they did not allow me to do that. I got so sick both physically and mentally that I wanted to die. I attempted to light myself on fire, but they stopped me and sprayed tear gas in my cell. Then they opened the door and hit me in my face with batons. They used a fire extinguisher to put the fire out. When they sprayed the tear gas over the fire extinguisher gas, I wasn’t able to see anything anymore. I felt like I was going blind and I could barely breath.

They suddenly opened the door and started beating me in my face with wooden batons. Mr. Mirzaghayi, Mr. Zeynali, Mr. Yousefi and Mr. Moradi had all come and they were the ones beating me with batons. All of a sudden I saw that Mr. Moradi was holding a knife. I don’t know if he had just found it or if he had brought it to stab me. I don’t know.

I hit him hard in his hand and the knife fell to the ground. I picked it up to defend myself, but I had no chance to defend myself.

They all attacked me and hit me more, then they took me to a very dark room with no cameras. They beat me harder, tied me up, blindfolded me, tortured me, took my clothes off, hung me, and inserted batons inside of me. I kept pleading with them, begging them, asking them, “Isn’t there a God. Isn’t there a Prophet?” They responded, “We are God and we are the Prophet.”

I asked them if there was someone in charge in the place. They responded that they were they ones in charge. Mr. Mirzaghayi replied, “I have orders. I have orders from Mr. Akharian who has given me permission to do whatever I want.”

They kept beating me with their batons until they broke my legs. I was then taken into a room and left there all night, still naked with my hands tied behind my back. I was suffocating and in great pain because of my broken legs. By morning, my broken legs were bleeding badly and I begged them to take me to the prison clinic, but they refused.

After a month, the wound in one of my legs was infected all the way to my bone. They finally had to take me to the prison clinic. The doctor refused to touch my leg because it was so badly infected. I begged the doctor to help me. The doctor said if they performed surgery I would have to stay there to recover and they had been told that they were not allowed to keep me there for recovery. He didn’t want to take care of me, but I begged him. I kissed his hands and his feet.

Then I told him I would lodge a complaint against them. I asked him if Mr. Akharian had given the orders and he replied yes. Mr. Akharian had told him not to perform surgery. Mr. Gerami and Mr. Ali Mohammadi came. They all said it was out of their hands because they were under the strict orders of Mr. Akharian. So again I resorted to threatening them and said I would lodge a complaint.

I finally convinced them to let me receive an operation.

They took me back to solitary confinement until the day of my operation. I was in the prison clinic for four days.

Mr. Mirzaghai came to visit me and said, “That place where we stuck the batons into you still has not healed. Too bad. Does it hurt? We’re going to make it worse. Why did you have to complain? Why did you complain to the infirmary?”

The night before my operation they gave me some kind of pill that made my mouth go completely crooked. I wasn’t able to talk at all.

The doctors said to me, “That day when you got in all that trouble with those guys, you should have known better than to mess with them. They are the ones who told us to give you this medicine and do this to you. Now look at you. You are not allowed to make a phone call. You are not allowed to talk. You are not allowed to have any visitors. We’re taking care of you, but you don’t even deserve it. We should kill you. Just like we did with Siamak Bandeloo and other people who we killed by injection. We should kill you too.”

When they performed the surgery on me they shaved a large portion of my bone off, they cut the flesh, and they put a cast on it.

Yesterday when I came out, I was beaten again. They kept telling me I should have never complained. Mr. Mirzaghayi beat me up all over my body with a baton. I kept begging him to stop hitting me and I kept asking him why he is beating me again. He psychologically devastated me by cursing at me with very dishonourable words. He took away my dignity in front of all the other prisoners.

Then he dragged me and took me to Mr. Akharian. He told me if I don’t shut up they will continue to treat me like this. He said he would even bring my whole family here and throw all of them in prison too. “How dare you lodge a complaint,” he kept saying. He told me that if I consent to what they say, they would help me out. But if I refused, they would crush me, and this time, they would kill me.

Today they took me back to Mr. Akharian. They threatened me again and asked me to agree to their demands. They said, “If you don’t do it, not only will you not achieve anything, we will kill you and we will just throw your corpse out of here. There is nothing you can do here. The law enforcer is with us. He isn’t going to acknowledge anything that happened to you; not your broken legs and not the baton that we stuck into you. We are the ones in charge here. We tell them what to say.”

They also told my family that Rajai Shahr prison runs on its own. There is no authority over the prison. How about the head of the whole country, I wondered. But in this prison there is no government. There is no Islam. Here they kill people the same way they drink water. Here they have tortured people much worse than they have tortured me. They just beat everybody. They have tortured so many people, after which they force them to say whatever they demand. If anyone dares think of complaining, they will torture him even more.

Prisoners get thrown in a dark camera-less room that no one knows of and they get beaten up. If anyone asks about the prisoner, they lie and say he is at the infirmary or somewhere else. In that room, you are not given water, bread, or anything. There is no toilet.

There is just no logic to anything that the prison officials do. This place is worse than Kahrizak. There are no human rights here. There are no human beings in charge. There is no law.

There is nothing here. There is nothing.

They just kill people like they are drinking water.

I don’t know, just please help me.


Censuur slaat toe op Tehran Book Fair

In de Iraanse hoofdstad vindt van 6 tot 16 mei de Tehran Book Fair plaats, al is het maar de vraag of we van een boekenbeurs die naam waardig kunnen spreken. Veel boeken, dat wel, maar zo groot is de censuur dat het bij momenten tragikomisch wordt. Het lijstje van boeken die verboden zijn op de Tehran Book Fair, is eindeloos.

De conservatieve website Tabnak bracht verslag uit van enkele westerse titels die op de Tehran Book Fair niet toegelaten zijn. Het gaat bijvoorbeeld om Why Politics Can’t Be Freed From Religion en Power, Islam and the Political Elite in Iran. Volgens Tabnak staan in dat laatste boek ‘oneerlijke beoordelingen van Iran’. Tabnak meldt daarnaast dat alle boeken over de Holocaust, ‘meditatie’ en ‘zen-therapie’ verboden zijn, alsook werken die handelen over Iran als een land dat Hamas en het terrorisme steunt.

De Iranian Writer’s Assocation heeft in een mededeling de toenemende druk op onafhankelijke uitgevers en ‘de stijgende trend van censuur en culturele onderdrukking’ aangeklaagd.

Op de Tehran Book Fair zijn intussen boeken van de dissidente Iraanse geestelijken ayatollah Montazeri en ayatollah Sanei weggehaald. Verschillende Iraansenieuwssites melden dat alleen publicaties die verschenen zijn sinds Ahmadinejad in 2005 aan de macht kwam, er voorgesteld mogen worden. Zelfs werk van de vooraanstaande schrijver Hoshang Golshiri en dichteres Forough Farrokhzad is verbannen.

De Tehran Times meldt dat het Egyptische paviljoen op de Tehran Book Fair gesloten werd omdat het een boek aanbood waarin de Perzische Golf ‘Arabische Golf’ wordt genoemd. Hossein Sajedinia, hoofd van de politie van Teheran, zei dat agenten verkleed als bezoekers op een boek stuitten met de titel ‘Arabian Gulf Encyclopedia’, waarop de Egyptenaren mochten opkramen.

Bijna lachwekkend is dit, als het niet zo tragisch zou zijn: de politie van Tehran houdt zich bezig met verkleedpartijtje spelen op de Book Fair, terwijl in diezelfde stad zondag vijf Koerden zonder enige vorm van proces opgehangen zijn.

Vertaling van de laatste brief van Farzad Kamangar

Een van de vijf geëxecuteerde Koerden, Farzad Kamangar, heeft een erg ontroerende laatste brief geschreven vanuit de gevangenis. Hij verwijst erin naar het beroemde Perzische kinderverhaal Mahiye siahe kuchulu, ‘Het kleine zwarte visje’, dat ik trouwens net vertaald heb. Dat is een verhaal uit 1968 van Samad Behrangi, net als Farzad een leraar die vermoord werd door het regime, maar dan dat van de shah. ‘Het kleine zwarte visje’ is ook een allegorie voor het verzet tegen een dictatoriale levenswijze, tegen isolement, tegen onwetendheid.

Hier volgt de Nederlandse vertaling van de erg ontroerende laatste brief van Farzad. Verspreid hem, zodat hij niet vergeten wordt.

Wees sterk, kameraden

Er was eens een vis die 10.00 eitjes had gelegd. Alleen één zwart visje overleefde. Hij leeft samen met zijn moeder in een beek. Op een dag zei het kleine visje tegen zijn moeder: “Ik wil hier weg.” De moeder zei: “Waar naartoe?” Het kleine visje antwoordde: “Ik wil gaan kijken waar de beek eindigt.”

Gegroet, celgenoten. Gegroet, vrienden in pijn!

Ik ken jullie goed: jullie zijn de leraren, de buren van de sterren van Khavaran[1], de klasgenoten van tientallen mensen wier teksten tegen hen werden gebruikt, de leraren van studenten wier enige misdaad hun gedachten waren. Ik ken jullie goed: jullie zijn de collega’s van Samad[2] en Ali Khan. Jullie herinneren zich mij, toch?

Ik ben het, degene die vastgeketend zit in de Evin-gevangenis.

Ik ben het, de stille student die in de kapotte schoolbanken zit en verlangt om de zee te zien in een afgelegen dorp in Kurdistan. Ik ben het, die net als jullie de verhalen van Samad aan zijn studenten vertelde.

Ik ben het die graag de rol van het kleine zwarte visje op mij neemt.

Ik ben het, jullie kameraad die ter dood veroordeeld is.

De valleien en de bergen liggen nu achter hem en de rivier stroomt door een vlakte. Links en rechts voegen andere riviertjes zich bij de rivier, die nu vol water is. Het kleine visje geniet van zo overvloedig veel water…het kleine visje wilde naar de bodem van de rivier gaan. Hij kon zoveel zwemmen als hij wilde en botste nergens tegenaan.

Plots zag hij een grote groep vissen. Er waren er 10.000, waarvan één tegen het kleine zwarte visje zei: “Welkom in de zee, vriend!”

Mijn gevangen collega’s! Is het mogelijk om achter dezelfde schoolbank als Samad te zitten, te kijken in de ogen van de kinderen van dit land en te zwijgen?

Is het mogelijk om een leraar te zijn en aan de kleine vissen van dit land niet de weg naar de zee te tonen? Wat doet het er toe of ze uit de Aras komen, of de Karoon, de Sirvan, of de Sarbaz Rood? Wat doet het er toe, als de zee een gemeenschappelijk doel is, dat ons allen verenigt? De zon is onze gids. Laat de gevangenis onze beloning zijn – het zij zo!

Is het mogelijk om de zware last te torsen van het leraarschap en verantwoordelijk te zijn voor het planten van de zaadjes van kennis, en toch stil te blijven? Is het mogelijk om de krop in de keel van onze leerlingen te zien en hun dunne en ondervoede gezichten, en stil te blijven?

Ik kan me niet voorstellen een leraar te zijn in het land van Samad, Khan Ali en Ezzati en me niet bij de eeuwige Aras-rivier te voegen. Ik kan me niet voorstellen om getuige te zijn van de pijn en armoede van de inwoners van dit land en niet onze harten aan de rivier en de zee te geven, te bulderen en te overstromen.

Ik weet dat op een dag deze harde en ongelijke weg voor de leraren geplaveid zal zijn, en dat jullie lijden een ereteken zal zijn, zodat iedereen kan zien dat een leraar een leraar is, zelfs wanneer zijn weg geblokkeerd wordt door gevangenis en executie.

Het kleine zwarte visje en niet de reiger is de eer van de leraar.

Het kleine visje zwom rustig in de zee en dacht: De dood ontmoeten is niet lastig voor mij, noch heb ik spijt. Plots dook de reiger naar beneden en greep het kleine visje.

Oma vis beëindigde haar verhaal en vertelde haar 12.000 kinderen en kleinkinderen dat het bedtijd was. 11.999 kleine visjes zeiden ‘goedenacht’ en gingen slapen. Ook de grootmoeder ging naar bed. Alleen één klein rood visje kon de slaap niet vatten. Hij dacht diep na…

Farzad Kamangar

Een leraar, ter door veroordeeld, Evin-gevangenis


[1] Een kerkhof in het oosten van Teheran waar veel politiek gevangenen geëxecuteerd werden.

[2] Samad Behrangi, auteur van Mahiye siahe kuchulu of Het kleine zwarte visje.

"Mijn Farzad is trots naar buiten gekomen"

De Iraanse autoriteiten weigeren voorlopig de lichamen vrij te geven van de vijf Koerden die zondag geëxecuteerd werden . Verschillende bronnen zeggen dat ze de doden pas willen vrijgeven als de families zich keren tegen welke protesten ook naar aanleiding van hun dood. Corruptie ten top. Ontroerend vond ik de woorden van de moeder van de vermoorde Farzad Kamangar: “Mijn plicht als de moeder van Farhad is net begonnen. Ik heb Farhad bij ontmoetingen in de gevangenis vaak verteld dat hij trots de gevangenis zou verlaten, en mijn wens is waarheid geworden. Mijn Farzad is trots naar buiten gekomen.”

http://www.astreetjournalist.com/




Ter ere van Farzad en de andere vermoorde visjes

Ter nagedachtenis van de vijf geëxecuteerde Iraanse Koerden (zie bericht van gisteren) breng ik hier alvast een kort stukje van mijn vertaling van Het kleine zwarte visje, het kinderverhaal waarnaar Farzad verwees in zijn laatste brief vanuit de gevangenis.

شب چله بود. ته دریا ماهی پیر دوازده هزار تا از بچه ها و نوه هایش را دور خودش جمع کرده بود و برای آنها قصه می گفت

«یکی بود یکی نبود. یک ماهی سیاه کوچولو بود كه با مادرش در جویباری زندگی می کرد.این جویبار از دیواره های سنگی کوه بیرون می زد و در ته دره روان می شد. خانه ی ماهی کوچولو و مادرش پشت سنگ سیاهی بود؛ زیر سقفی از خزه. شب ها ، دوتایی زیر خزه ها می خوابیدند. ماهی کوچولو حسرت به دلش مانده بود که یک دفعه هم که شده، مهتاب را توی خانه شان ببیند!

مادر و بچه ، صبح تا شام دنبال همدیگر می افتادند و گاهی هم قاطی ماهی های دیگر می شدند و تند تند ، توی یک تکه جا ، می رفتند وبر می گشتند. این بچه یکی یک دانه بود – چون از ده هزار تخمی که مادر گذاشته بود – تنها همین یک بچه سالم در آمده بود.

چند روزی بود که ماهی کوچولو تو فکر بود و خیلی کم حرف می زد. با تنبلی و بی میلی از این طرف به آن طرف می رفت و بر می گشت و بیشتر وقت ها هم از مادرش عقب می افتاد. مادر خیال میکرد بچه اش کسالتی دارد که به زودی برطرف خواهد شد ، اما نگو که درد ماهی سیاه از چیز دیگری است!

یک روز صبح زود، آفتاب نزده ، ماهی کوچولو مادرش را بیدار کرد و گفت:

«مادر، می خواهم با تو چند کلمه یی حرف بزنم».

Het was de langste, koudste nacht van het jaar. Diep op de zeebodem had een oude vis 12.000 van haar kinderen en kleinkinderen verzameld. Ze begon hen een verhaal te vertellen:

“Er was eens een klein zwart visje dat met zijn moeder in een beek leefde. De beek kwam uit een rotswand en stroomde door de bodem van een vallei. Hun huis bevond zich achter een zwarte rots. Ze sliepen er ’s nachts samen onder een hemel van mos. Er was niets wat het kleine zwartje visje liever wilde dan één keer de maneschijn in hun huis te zien.

Van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat zwommen moeder en kind achter elkaar. Soms mengden ze zich onder andere vissen, en dan snelden ze kleine plekjes in en uit. Het visje was enig kind. Van de 10.000 eitjes die zijn moeder gelegd had, was hij de enige overlevende.

Al een paar dagen was het kleine visje diep in gedachten verzonken. Hij sprak maar weinig en gleed lusteloos heen en weer. Meestal kwam hij een eindje achter zijn moeder aangezwommen. Zij dacht dat haar kind ziek was en zich snel weer beter zou voelen. Maar eigenlijk was het visje niet ziek. Het had last van iets helemaal anders!

Vroeg op de morgen, nog voor de zon was opgestaan, maakte het kleine visje zijn moeder wakker en zei:

“Moeder, ik moet met u praten.”