De halve wereld in het vooruitzicht

Gepost op dinsdag 9 juni 2009 om 17:36 op http://standaard.typepad.com/iran

“Wat brengt jullie hier?” Het is de vraag die me in Arak het vaakst gesteld werd, en zo verwonderlijk is dat niet: voor de inwoners van deze stad is het een ongewoon beeld dat buitenlanders hun straten verkennen. Arak, dat in het Westen vooral bekend is voor zijn kerncentrale, is een van de belangrijkste industriesteden van Iran. Met onder meer Wagon Pars en Arak Oil Refinery Company zijn respectievelijk de metaal- en de petrochemische industrie hier goed vertegenwoordigd.

Dat is meteen duidelijk wanneer onze trein de rand van Arak binnenrijdt: de ene grote fabriek ligt er naast de andere. Ook in het centrum van Arak is, behalve de prachtige bazaar, weinig Perzische charme te vinden. Het was dan ook niet de stad zelf die me aantrok, maar wel de streek errond: Farahan is de regio waar ’s lands bekendste Perzische tapijten worden vervaardigd, en heeft enkele van Irans belangrijkste politici voortgebracht, onder meer Mirza Abolghasem Ghaem Magham Farahani en Amir Kabir.

Over de vele charmes van het platteland had ik al eerder gehoord, en mijn verwachtingen werden ingelost: toen we Arak – een van de meest vervuilde steden van het land – verlieten, zagen we eindeloze gouden graanvelden en hoorden we kwetterende vogels – een geluid dat ik sinds mijn vertrek uit Belgie amper nog had gehoord.

De politiek was hier ver weg: geen affiches van Ahmadinejad of Mousavi maar oude lemen huizen, verdwaalde katten en vrouwen in vrolijke chadors. Wat precies de reden is weet ik niet, maar op het platteland, ver weg van de controle van politie en andere officiële instanties, verkiezen vrouwen misschien de bebloemde chador boven de zwarte.

In Moslehabad stoppen we een paar uur bij het winkeltje van Azam Navi en Fazlollah Mosleh. We worden als koningen ontvangen, en krijgen een rondleiding door hun prachtige, verwilderde tuin. De jongste dochter van Azam en Fazlollah, Mozghan (14), volgt me overal en is in de wolken met het onverwachte bezoek uit Belgie. Ze oefent haar Engels met mij en wanneer ik haar vraag wat ze later worden wil, zegt ze met blinkende ogen: “A doctor!”

Toen we ’s avonds weer in het centrum van Arak aankwamen, leek het alsof de stad in brand stond. Jongeren scheurden op hun motorfietsen door de straten: de aanhangers van Mousavi riepen dat je het land niet met een baard kan besturen, en wat de Ahmadinejad-fans schreeuwden kwam erop neer dat Mousavi een mietje is.Tientallen jonge Araki’s kwamen naar me toe omdat ze me wilden vertellen wat ze dachten over de toekomst van hun land. Voor het eerst sinds mijn verblijf hier merkte ik dat ik op mijn hoede was: nadat we in Qom een paar uur werden opgepakt door de politie – die ons van straat wilde houden omdat er een pro-Mousavibetoging aan de gang was – hou ik mijn ogen extra open voor de zwart geklede Basiji of traag voorbijrijdende politiewagens. Angst heb ik niet, want die geeft altijd slechte raad, maar voorzichtigheid is wel geboden. In alle Iraanse steden die we totnogtoe bezochten, voel je dat er iets aan het gebeuren is: in Arak zag ik, na Teheran, jongeren uit hun auto stappen en dansen op straat – een erg gewaagde actie in de Islamitische Republiek.

Laat op de avond was er opnieuw een debat tussen de presidentskandidaten, deze keer tussen Mousavi en Rezaii. Het is voor het eerst dat hier live een dergelijk debat wordt georganiseerd en uitgezonden, en de aandacht is dan ook enorm. Ahmadinejad zei dat het goed ging met de economie, en toen Rezaii statistieken liet zien met daarop de enorme inflatie waaronder Iran lijdt, zei Ahmadinejad zonder blozen dat hij andere bronnen had om zijn berekeningen te maken. Vanmorgen hoorde ik dat de straten van Arak na het debat deels werden afgesloten: de politie was bang dat de situatie uit de hand zou lopen.

Straks nemen we vanuit Kashan de trein naar Isfahan, een stad die in Iran ‘nesf-e jahan’ (de halve wereld) wordt genoemd.

Absolute vrijheid in Qom

Gepost op zondag 7 juni 2009 om 08:15 op http://standaard.typepad.com/iran

De weg van Teheran naar Qom is lang, stoffig en monotoon. Een kwartier nadat onze trein stipt op tijd de hoofdstad heeft verlaten, wordt bruin de overheersende kleur van het landschap. De rijkdom van het noorden van Teheran is hier ver weg: overal zie ik vervallen huizen, leegstaande fabrieken en kapotte auto’s. Af en toe rijdt in de verte een eenzame vrachtwagen voorbij of duwt een man een steekkar vol lompen voort.

Het is warm in de trein, maar met de ramen wijd open is de hitte draaglijk. We kopen thee, water en juju kabab (chicken kebab). In Iran heeft elke trein zijn eigen restaurant, al is die naam wat overdreven. Het eten heeft weinig smaak, maar de weg is nog lang en we kunnen beter met een volle maag toekomen in Qom.

Na Masshad is Qom de meest religieuze stad van de Islamitische Republiek. Het was hier dat ayatollah Khomeini in 1963 zijn ziedende speech gaf tegen de shah: zo zei hij onder meer dat wanneer de shah op de ingeslagen weg verderging, het volk dankbaar zou zijn wanneer hij het land op een dag zou verlaten. Khomeini werd in 1964 verbannen uit de stad, maar de conservatieve geestelijken bleven zich vanuit Qom tegen het bewind van de shah verzetten en het was hier dat uiteindelijk de Islamitische Revolutie haar oorsprong had.

Drie uur na ons vertrek uit Teheran rijdt de trein langzaam en met piepende remmen het station van Qom binnen. “Qom, Qom, Qom!” hoor ik iemand roepen. Wanneer we uitstappen, blijkt meteen dat we in een totaal andere wereld dan Teheran zijn terechtgekomen: ik word door bijna iedereen aangestaard. “Je bent westers,” zegt de gids, “lang en blond, en dat hebben de mensen nog niet vaak gezien.” Ik lach en zeg Ahmad dat ik helemaal niet blond ben, maar hij antwoordt dat ik naar Iraanse normen héél erg blond ben. Zowat alle vrouwen dragen hier de zwarte chador, en vooral oudere dames werpen me af en toe een verwijtende blik toe. Ik heb nog nooit zulke verhullende kledij als nu gedragen, maar toch voel ik me soms bijna naakt.

In Qom zie je niet de grote shops van Teheran, maar wel kleine winkeltjes waar vers brood wordt gebakken of sohan wordt gemaakt, de bekende zoetigheid uit Qom. De straten van deze stad lopen vol geestelijken in wapperende gewaden, druk bellend met hun supermoderne mobiele telefoons en daarna wegscheurend op hun motorfietsen.

We bezoeken het indrukwekkende Hazrat-e Masumeh, de plek waar Fatemeh, de zus van imam Reza in de negende eeuw begraven werd. Hassan (28) is leraar Engels in Qom en leidt ons rond. Wanneer ik hem vraag of hij voor Mousavi of Ahmadinjead zal stemmen, wil hij eerst niet antwoorden. Dan klinkt het tenslotte aarzelend: “Mousavi.” Meteen bespeurt hij de verrassing in mijn ogen: “Ik weet dat je dit niet zou verwachten op deze plek. Al mijn collega’s hier stemmen op Ahmadinejad. Maar het is genoeg geweest. Die man is echt veel te conservatief. Hij is zelfs gevaarlijk. Obama heeft gezegd dat hij wil praten, en dat is belangrijk, maar zolang Ahmadinejad aan het roer blijft, zal er van contact met Amerika geen sprake zijn. Nochtans hebben we dat nodig. Dit land heeft verandering nodig.”

Even later bevinden we ons in de drukke hoofdstraat van Qom, en hier is Ahmadinejad werkelijk overal aanwezig. Vrouwen in zwarte chador houden met de ene hand hun gewaad vast en in de andere hand een poster van hun president. Kapperszaken, bakkerijen, boekenwinkeltjes: het is al Ahmadinejad wat de klok slaat.

Plots zien we hoe een grote menigte zich verdringt bij een lange muur vol affiches. We gaan dichterbij en zien dat hier de supporters van Mousavi hun tenten hebben opgeslagen. Op een hoge tafel staat een televisie waarop een video wordt afgespeeld die het beleid van Ahmadinejad evalueert. Zodra we worden opgemerkt, verdringen tientallen mensen zich rond mij en smeken ze bijna om geïnterviewd te worden. Ze zijn overwegend jong, tussen de twintig en veertig, maar vanop op een afstand kijkt een oude man van een jaar of tachtig glimlachend toe. Hij vangt mijn blik op, wijst naar een poster van Mousavi en steekt zijn duim in de lucht.

Pezhman (20) stemt voor Mousavi omdat zijn sociale en economische plannen ‘stukken vooruitstrevender’ zijn dan die van Ahmadinejad. Wanneer ik hem vraag voor wie hij de vorige keer heeft gestemd, antwoordt hij dat hij zich dat niet meer herinnert. “We willen weer de banden aanhalen met de Verenigde Staten. We willen vrijheid en democratie. Khamenei is mijn leider en is goed, maar Ahmadinejad is niet goed.”

Mohammed Hussein (25) duwt Pezhman weg en zegt dat Ahmadinejad de enige keuze voor Iran is, omdat hij de morele waarden van dit land verdedigt. Bovendien: “Mousavi is een zwak man, want hij kan niet zonder de steun van Khatami.” Mohammed lijkt steekt een stevig betoog te willen afsteken, maar wordt plots naar buiten geduwd door een aantal aanhangers van Mousavi. “De fans van Ahmadinejad hebben genoeg kansen om hun boodschap te verkondigen. Dit is ons hoofdkwartier, en hier moeten ze wegblijven.”

We wandelen verder en stuiten op een ander campagneteam: dat van Mehdi Karroubi. Sadeq Chehrqani is twintig en zegt dat vele kandidaten voor de verkiezingen maar een paar maanden daarvoor de politieke arena betreden, maar dat geldt niet voor Karroubi: hij heeft ervaring in de Iraanse politiek. “Karroubi zal vrouwen en etnische en religieuze minderheden beter behandelen. Hij heeft de jonge mensen ook verandering beloofd.” Achter Sadeq (links) hangt een poster van Karroubi waarop in grote Perzische letters ‘BIG CHANGE’ staat.

’s Avonds laat zijn de straten van Qom nog steeds in de ban van de verkiezingscampagne: op televisie wordt het tweede live debat tussen de presidentskandidaten uitgezonden, deze keer tussen Ahmadinejad en Karroubi. Aan elke winkel die een televisie heeft, verdringen de mensen zich om een glimp van het debat op te vangen. Op een pleintje aan de rand van de stad hebben fans van Ahmadinejad een tafel met een wit deken bedekt en daarop een televisie neergezet. Ik vraag Mansoureh, een jong meisje dat de chador draagt, waarom ze voor Ahmadinejad stemt. “Hij is dapper. Hij is van het volk. Hij is rechtvaardig. Hij is de allerbeste.” Ik vraag haar of ze het rechtvaardig vindt dat onder deze president bijvoorbeeld de kledingvoorschriften voor vrouwen zoveel strenger zijn geworden? “Hij is rechtvaardig. Jullie begrijpen niet dat vrijheid in je hoofd zit. De hijab is absolute vrijheid.”

Van Tochal naar Qom

Gepost op zaterdag 6 juni 2009 om 09:22 op http://standaard.typepad.com/iran

Vandaag deden we wat veel Teherani’s tijdens hun weekend doen: we trokken de bergen in. Het noorden van Teheran staat bekend als het rijkste deel van de stad, waar de clandestiene feestjes plaatsvinden, vrouwen hun nagels in felle kleuren lakken en jonge koppeltjes hand in hand lopen.
Over de feestjes kan ik niets vertellen, maar voor de rest bleek het beeld te kloppen: op weg naar Tochal, dat zich aan de voet van het Alborzgebergte bevindt, leken we plots in het westen te zijn beland. De beeltenis van Khomeini heb ik er maar zelden opgemerkt, de meisjes waren haast te mooi om waar te zijn en ik zag reclameborden van DeLonghi, Nescafé en Mercedes.

Ik hou van het razend drukke centrum van Teheran , maar het was een opluchting om even schone lucht te ademen: na vier dagen heb ik keelpijn van de smog en ziet mijn huid er niet bepaald fris uit. Maar wat ik aan onze wandeling door het voorgebergte nog het leukst vond, was dat niemand er zich leek aan te storen dat ik mijn sluier helemaal achterop mijn hoofd liet vallen: haast alle vrouwen lopen er in Tochal zo bij. Ik voelde me op bepaalde momenten in vergelijking met de Perzische meisjes zelfs totally overdressed: strakke jeans, manteau en zelfs hoge hakken maken er het straatbeeld uit.

Over de liberale sfeer in het noorden van Teheran had ik al veel gehoord en gelezen, maar toch werd ik vandaag nog verrast: in Tochal zag ik hoe een razend knappe Iraanse jonge vrouw zich oefende in de kunst van het boogschieten, en iets verder bleek er zowaar een paintballclub te zijn.

De veertienjarige gids van onze zoon kwam vandaag met ons mee, en hij vond het heerlijk om met mij over westerse muziek te praten. Nóg enthousiaster was hij toen hij ontdekte dat ik Benyamin ken. “Ci? Wat? You know him? How come?” Benyamin is in Iran een superster: zijn muziek heeft flink wat westerse invloeden en zijn liedjes zijn echte meezingers. Elke dag sinds mijn verblijf hier heb ik ergens wel Benyamin horen zingen.

Wanneer we ’s avonds terug in de benedenstad zijn, lijkt het alsof de stad in brand staat. Het verkeer zit muurvast: de supporters van Mousavi voeren campagne in de wijk Tadjris, in het noorden van de stad. Aan de antennes van hun wagens wapperen groene ballonnen, en jongens en meisjes hangen uit het raam met aan hun armen en rond hun nek groene linten. “Mousavi, Mousavi, Mousaviiiiiiii!” Tot mijn verbazing stappen uit een gammele auto plots een vijftal jongens en meisjes die midden op straat uitbundig beginnen te dansen – ten strengste verboden in de Islamitische Republiek. Langs de kant van de weg zie ik een politieagent toekijken. Hij lijkt zijn ogen niet te kunnen afhouden van het spektakel, maar begint dan toch maar duchtig te sms’en en aan zijn sigaret te trekken. De orde herstellen doet hij niet, en dat past bij het plaatje dat me eerder deze week werd geschetst door een aantal locals: de busjes van de zedenpolitie, een schrikbeeld in de straten van Teheran, zijn sinds een tweetal weken verdwenen. Ahmadinejad weet dat zijn herverkiezing op het spel staat en voelt de hete adem van Mousavi in zijn nek, dus werd het tijd om even zijn imago op te poetsen.

Na een tijdje willen we weg uit de razende drukte, maar een taxi te pakken krijgen die ons naar Meydune Ferdousi (Ferdousi Square) wil brengen is haast onmogelijk: het hele noorden van Teheran is op zoek naar een taxi. Een kleine maar stevig gespierde Teherani snelt ons ter hulp: hij hoeft helemaal niet in het centrum van de stad te zijn maar wil ons helpen: we zijn immers buitenlanders, zegt hij, en bovendien zijn we journalisten. In ons land zijn journalisten niet erg geliefd, maar in Iran is dat helemaal anders: omdat zij degenen zijn die vaak de waarheid over het regime aan het licht brengen, krijg je van Iraniërs een glimlach wanneer je vertelt dat je journalist bent.

Over glimlachen gesproken: het cliché dat Perzen zo vriendelijk en gastvrij zijn, klopt helemaal. Zodra ze nog maar zien dat je bijvoorbeeld de weg niet goed weet, komen ze dichterbij. Toen we gisteren in een fruitwinkel met euro wilden betalen omdat er op zondag geen wisselkantoor open was, zei de eigenaar dat hij alleen dollars kon aanvaarden, maar om het goed te maken, kregen we een gratis een halve kilo kersen. In de meeste moskees delen mensen ’s avonds snoepjes uit, en toen we gisteren naar de optocht voor Mousavi keken, trakteerde een oude man zowat heel Tadjriz Square op dadels.

Eerst dacht ik dat die grote vriendelijkheid kwam omdat we buitenlanders zijn, maar dat is een vergissing: ook onder elkaar zijn de Iraniërs vriendelijk en vooral beleefd. In België de weg aan iemand vragen stuit nogal vaak op een kort en warrig antwoord, maar wanneer hier een taxichauffeur in het gigantische Teheran de weg vraagt, komen er meestal meerdere mensen rond zijn auto staan om hem verder te helpen.

Vanmiddag vertrekken we met de trein naar Qom, na Masshad de heiligste stad van het land. Benieuwd hoe het daar gesteld is met de aanhang van Mousavi.

Picknicken met ayatollah Khomeini

Gepost op vrijdag 5 juni 2009 om 08:16 op http://standaard.typepad.com/iran

“Ahmadinejad! Ahmadinejad! Ahmadinejad!” De mensenmassa schreeuwt zijn keel schor en balt de vuisten hoog in de lucht. Er worden posters in glanzend kleurrijk papier uitgedeeld van de huidige Iraanse president, en steeds opnieuw klinkt het: “Iran! Ahmadinejad! Iran, Iran, Iran ! “

Het is twaalf uur ’s middags, bloedheet, en we bevinden ons tussen duizenden Iraniërs die op 4 juni traditiegetrouw de dood van ayatollah Ruhollah Khomeini herdenken, de stichter van de Islamitische Republiek die twintig jaar geleden overleed. Eigenlijk liet de opperste leider op 3 juni het leven, maar voor het gemak hebben de autoriteiten zijn herdenkingsfeest een dag later geplaatst: op 5 juni wordt immers ook de Revolte van Khordad 15 herdacht, toen Khomeini in 1963 zijn befaamde speech gaf tegen de shah en hem vergeleek met de beruchte Iraanse tyran Yazid. De feestdagen van 4 en 5 juni sluiten nu mooi op elkaar aan, en dat komt het regime beter uit: één grote, lange, tweedaagse herdenking van Khomeini.

Place to be voor de herdenkingsfestiviteiten is het mausoleum waar ayatollah Khomeini begraven ligt, even buiten Teheran, naast het beroemde kerkhof Behesht-e Zahra (Het paradijs van Zahra), waar miljoenen slachtoffers van de Iran-Irakoorlog hun laatste rustplaats hebben. Terwijl Pieter-Jan in de moskee verdwenen is om – na een grondige scan van zijn camera’s – het graf van Khomeini te fotograferen, wandel ik met onze gids Amad over het terrein. Een jongen van nauwelijks zestien komt naar me toe en duwt een poster van Ahmadinejad in mijn handen: de foto toont hoe de president het hoofd buigt en de hand kust van een oude sjofele man. “Ahmadinejad piruzi! Ahmadinejad overwint!”, zegt de jongen. Ik vraag hem waarom hij een aanhanger is van de huidige president, en in een mum van tijd staan zeker vijftig jongens van een jaar of achttien om me heen en verdringen ze elkaar om mij te kunnen spreken. “Niemand luistert ooit naar hen,” zegt Amad, “en in jou zien ze hun kans.”

Mohammad Reza is zeventien en zegt dat hij zou willen sterven voor Ahmadinejad. “Waarom,” vraag ik? Hij verheft zijn stem. “Hij is sterk! Hij is niet bang van de grote wereldmachten die ons willen verpletteren!” Er volgt gegil en gejuich, en velen steken de Iraanse vlag hoog in de lucht. “En,” gaat Mohammad verder, “hij is een vriendelijke, zachtaardige man. Hij houdt van de armen. Hij komt zelf uit een gewone familie. Mousavi is rijk en dom.” Een andere jongeman tikt me op de rug: “Mousavi willen we niet! Toen hij eerste minister was, heeft dit land acht jaar in oorlog met Irak geleefd. We hebben een president nodig die iedereen in één beweging kan verslaan en verpletteren. Mousavi is een zwakke man. Hij durft niets.” Hij steekt een lint met de kleuren van de Iraanse vlag in de lucht, en, zo vertelt mijn gids, dat doet hij op een erg symbolisch geladen manier: met de rode kleur bovenaan, zoals ten tijde van de Iran-Irakoorlog.

Net terwijl ik denk dat dit Ahmadinestan is en iedereen hetzelfde verhaal vertelt, wurmt zich tussen de menigte iemand die alleen al door zijn kledij opvalt: de meeste jongens zijn hier in het zwart gekleed, terwijl deze man een wit hemd draagt met lichtblauwe streepjes. Hij komt naar me toe en zegt luid en duidelijk: “Ik stem voor Mousavi!” Verbazing alom bij de omstaanders, maar niemand wordt agressief. Meer nog: de jongens stoppen eventjes met schreeuwen en luisteren zowaar naar wat hun politieke tegenstander te vertellen heeft. “Mousavi is beter voor het land. Hij heef ervaring in de politiek. Hij heeft het land acht jaar lang geleid toen we in oorlog waren. Ik geloof dat hij dit Iran kan veranderen. De werkloosheid is hoog, de benzine is te duur en we leven in isolement van de rest van de wereld. Mousavi wil contact met Amerika, en dat is belangrijk voor Iran.” Een paar seconden wordt het stil en lijken de Ahmadinejad-fans even knock-out geslagen door de argumentering van de jongeman. Maar al heel snel herneemt het geschreeuw zich: “Ahmadinejad! Mahmoud! Ahmadinejad piruzi!” Zoveel is zeker: de aanhangers van Mousavi gaan ervoor en zijn niet bang om zich in het hol van de leeuw te wagen: gisteren de optocht in het zuiden van Teheran; vandaag de actie van deze jongeman.

Het Iman Khomeini Mausoleum en de uitgestrekte grasvelden eromheen is de plek waar ik voor het eerst zoveel aanhangers van Ahmadinejad samen heb gezien. Meestal zijn ze arm en hebben ze niet echt een duidelijk antwoord op de vraag waarom ze hun president en lieveling een tweede ambstermijn gunnen. Meestal klint het gewoon ‘khube’: hij is goed. Wanneer ik vraag waarom, volgt ofwel stilte, ofwel de retoriek van slaan, verpletteren, dood aan Amerika en dood aan Israel. Het regime blijkt zijn aanhang ook goed te kennen, want overal worden gratis water, thee en koekjes uitgedeeld. De herdenking van Khomeini’s dood heeft dan ook meer weg van een zondagse picknick dan van een echt religieus feest: in de moskee zag Pieter-Jan mensen spelletjes spelen met hun gsm of kruiswoordraadsels invullen, en op de grasvelden buiten hebben honderden Iraanse families hun tent opgezet en wordt er uitgebreid gepicknickt.

Meestal is de sfeer vriendelijk, en de nieuwsgierigheid naar de enige twee westerlingen tussen de mensenmassa is enorm. “Salam, khareji!” Hallo buitenlander! Jongens van nog geen achttien die net met hun vaders uit de moskee zijn gekomen proberen me met hun beste Engels te versieren, en ook veel vrouwen wuiven me vanop hun picknickveldje toe en vragen waar ik vandaan kom. “Hun nieuwsgierigheid naar de buitenwereld is enorm,” zegt Amad. “Ze zien wel westerlingen op televisie en op internet, maar zelden in het echt. Vandaar dat iedereen zo achter je aan loopt en met je wil praten.”

Een paar keer wordt de sfeer grimmig. Een Iraanse jongeman vraagt of ik journalist ben en vertelt me even later dat hij hier is omdat hij van Khomeini houdt, maar dat Ahmadinejad de islam aan het kapotmaken is. “Mousavi kan ons land vooruithelpen, maar mét respect voor de godsdienst. En geloof me: hier is het aantal jongeren dat Ahmadinejad steunt groot, maar nog veel groter is het aantal dat zijn strenge zedenpolitie en absurde regeltjes beu is.” Terwijl ik sta te luisteren, zie ik in mijn ooghoeken een aantal mannen dichterbij komen die helemaal in het zwart gekleed zijn, combat boots inclusief. Ze blijven op een meter of tien afstand, en plots zie ik een van hen lange tijd naar me kijken, om daarna iets in te spreken op zijn walkie talkie. Wanneer ik me vervolgens snel uit de voeten maak, verdwijnen de men in black even snel als ze gekomen waren. “De geheime dienst,” zegt Amad. “Op een dag als vandaag zijn ze overal aanwezig. Ahmadinejad wil alles onder controle houden, zeker nu zijn herverkiezing op het spel staat.”

Wanneer ik iets later Amad niet meer kan vinden, voel ik me geen moment meer op mijn gemak en heb ik het gevoel dat iedereen me aanstaart. Plots komen vier vrouwen naar me toe en wijst een van hen naar mijn tuniek. Ze wijst naar mijn armen en zegt: bad hejabi, wat zoveel betekent als: je bent niet islamitisch genoeg gekleed. Mijn armen zijn tien centimeter bloot, en dat is voor sommige religieuze vrouwen hier blijkbaar een shock. Waarschijnlijk om dezelfde reden wordt me de toegang tot het graf van Khomeini geweigerd: de politie heeft mij toestemming gegeven, maar de vrouwen die de ingang van het schrijn bewaken denken er anders over. Opnieuw wordt naar mijn onderarmen gewezen, en wanneer ik naar een chador vraag, word ik met aandrang verzocht om rechtsomkeer te maken.Het maakt me kwaad, maar ik beheers me.

Voor het eerst sinds mijn verblijf hier heb ik een hekel aan de sluier op mijn hoofd: het liefst wil ik de wind in mijn haren voelen en me in short en t-shirt neervleien in het gras.

Terug op post

Sinds vorige week maandag ben ik terug in het land, na een reis van drie weken door Iran. Dat hadden er zes moeten zijn, maar vanwege de protesten tegen de verkiezingsuitslag werd ons visum niet verlengd. Tegen het eind van de zomer vertrek ik opnieuw voor een maand naar Iran.

Omdat ik in Iran niet op mijn weblog kan, plaats ik, voor de volledigheid, hierna toch nog alle bijdragen die ik voor de blog van De Standaard schreef.

Persepolis, Khomeini en plastische chirurgie

Het is elf uur plaatselijke tijd terwijl ik dit schrijf, en op televisie hoor ik Ahmadinejad zeggen dat wat hij de voorbije vier jaar als president gedaan heeft wél correct is en dat Mousavi het dus helemaal bij het verkeerde eind heeft. Teheran was vandaag nog meer dan gisteren in de ban van de verkiezingen: om half elf begon het eerste live debat tussen president Ahmadinejad en zijn belangrijkste hervormingsgezinde tegenstander, Mir-Hossein Mousavi. Net brachten we de avond door in Vali Asr, de langste laan van Teheran, en om de haverklap passeerde een toeterende auto met daarin vooral jonge Iraniërs die hun hoofd uit het raampje staken en onophoudelijk ‘Mousavi, Mousavi!’ scandeerden. Tijdens de drie uur dat ik in Vali Asr was, heb ik welgeteld twaalf auto’s gezien waarop een poster van Ahmadinejad hing, terwijl ik bij Mousavi na een half uur al de tel kwijtraakte. Zo luid was het enthousiaste gegil van de aanhangers van Mousavi dat het haast leek alsof hij net de verkiezingen gewonnen had. Ontelbaar ook het aantal keren dat jongeren naar me toe komen, een flyer van Mousavi in mijn handen duwen en met een brede glimlach zeggen: “Mousavi! He will win!” Meestal steken ze dan hun duim hoog in de lucht, en nog vaker maken ze het vredesteken. Toen ik dat een aantal keren met een vredesteken beantwoordde, was de vreugde niet te stuiten.
Vali Asr in Noord-Teheran is een welstellende buurt, en daar is de aanhang van Mousavi sowieso groter. Vanmorgen bezochten we het Imamzadeh Shah-e Abdal-Azim, een mausoleum in het armere zuiden van Teheran waar onder meer de broer van Imam Reza begraven ligt, en in die straten zijn het vooral posters van Ahmadinejad, Khomemei en Khamenei die de muren sieren. Ik was dan ook erg verrast toen ik ‘in het hol van de leeuw’ plots een groepje Iraanse jongeren zag dat luidkeels het liedje Yare dabestani zong, dat ten tijde van de Revolutie tegen de shah een symbool van protest was. “De sfeer is donker,” riepen ze, “jij en ik zijn vrienden, je bent mijn kameraad, wie anders dan jij kan mijn pijn verzachten. Onze handen zouden de woestijn van onze ongeletterdheid water moeten geven, het hart van de mensen die in deze woestijn leven is dood, onze handen zouden het gordijn dat ons zicht belemmert moeten scheuren.”
Hun boodschap was duidelijk: Iran moet veranderen. Ook duidelijk is dat het vooral jongeren zijn die dat tijdens deze verkiezingscampagne aan de wereld willen vertellen, maar dat heeft wat te betekenen in een land als dit, waar zeventig procent van de bevolking jonger is dan vijfentwintig. Toch zijn de dingen hier vaak niet wat ze lijken: toen ik vanavond uitzonderlijk de toestemming kreeg om in het hippe Noord-Teheran een heiligdom te bezoeken waar een broer van Imam Reza begraven ligt en in zwarte chador naar binnen ging, zag ik een meisje dat me buiten al was opgevallen: ze had geblondeerd haar en onder haar chador droeg ze een strak zittende manteau, maar plots zag ik haar in tranen bij het het graf van Imam Reza’s broer, terwijl ze de zilveren tralies rond de kubus kuste en onophoudelijk bleef huilen. Op haar neus zat een pleister: Iran is nose job country number one, en het was duidelijk dat ze net plastische chirurgie achter de rug had. Plots zag ik de twee gezichten van Iran in één jong meisje versmelten.
Toen ik ’s avonds aan onze gids door Teheran vertelde over mijn eerste ervaringen met de chador, lachte hij luid: “Je hebt zonet kennisgemaakt met de islam. Zo vriendelijk is de islam: ze geven vrouwen de toestemming om zichzelf te bedekken. Dat is zoals iemand een mes geven zodat hij zichzelf kan doden. Onthoud goed wat een vriend me ooit heeft gezegd: Khomeini leefde in een donker, klein en laag huis met kleine ramen. In Persepolis werden duizenden jaren geleden hemelhoge tempels gebouwd van waaruit de Perzische koningen de wereld regeerden en veranderden. De Achaemeniden konden ver kijken, maar Khomeini regeerde vanuit een donkere kelder. Dat is wat er met Iran gebeurd is. Maar kijk, je hebt vandaag veel Iraanse jongeren ontmoet, en zij geloven er weer in. Ikzelf ben minder optimistisch over de kansen op verandering, maar de toekomst, die ligt altijd bij jonge mensen en hun dromen.”

Groen, groener, groenst

“Farsi ye shoma kheili khube!” Het was de eerste Perzische zin die ik te horen kreeg toen we vannacht om twee uur plaatselijke tijd voor het eerst voet op Iraanse bodem zetten. De struise man in het kleine hokje waarboven in grote letters gozarname (paspoort) staat geschreven, buigt lichtjes het hoofd en knipoogt naar me. Dat mijn Perzisch erg goed is, heeft hij net gezegd, en meteen komem twee andere Iraanse mannen nieuwsgierig een kijkje nemen naar die westerse vrouw az Belzjiki die Farsi blijkt te kennen. Eerlijk is eerlijk: ik heb vaak geschreven en gezegd dat over Iran veel vooroordelen bestaan, maar een knipoog en drie bewonderende mannen midden in de nacht op Imam Khomeini Airport: dat had zelfs ik niet verwacht. Beneden kneep Khomeini zelf vanop een gigantische muurschildering in kitscherige kleuren een oogje dicht.

Even later bracht een taxichauffeur ons naar onze bestemming. Teheran leek een spookstad, en het contrast met wat we vandaag te zien en te horen kregen, kon niet groter zijn. Hoe Teheran omschrijven? Waar te beginnen? Onmogelijk is het. In de Lonely Planet had ik gelezen dat zelfs de meest ervaren reiziger nooit voorbereid kan zijn op een verblijf in deze stad, en gelooft u me: dat is nog een understatement. Teheran is een plotse aanval op al je zintuigen. Vooral het geluid is oorverdovend: taxi’s toeteren onophoudelijk, winkeliers schreeuwen naar hun collega’s aan de overkant van de straat, en tussen al het kabaal door roept ook de muezzin nog eens op tot het gebed. Praten kan je hier niet; roepen is de boodschap.

De kleuren die overheersen in Teheran zijn het knalgeel en knalgroen van de taxi’s, en groen is dezer dagen dan nog eens meer dan anders aanwezig in de hoofdstad: het is immers de kleur die de hervormingsgezinde presidentskandidaat Mousavi als campagnekleur heeft gekozen. Erg opvallend: in Teheran zijn zeker tien keer meer affiches van Mousavi te zien dan van de huidige president Ahmadinejad. Op Vali Asr Avenue, de hoofdstraat van Teheran, lacht Mousavi je minstens om de honderd meter toe. Bomen, palen, etalages: de supporters van Mousavi hebben hun werk grondig gedaan.

Toen ik vanmiddag een foto nam van de beeltenis van Mousavi op de achterkant van een taxi, kwam een jongeman van een jaar of zeventien op een Amerikaanse mountainbike van het merk TREK naar me toegefietst: “Khanoeme! Mevrouw! It’s not important!” Ik ging dichterbij en vroeg hem wat hij bedoelde. “Entekhabat!, schreeuwde hij, in een poping de voorbijrazende taxi’s te overstemmen. “De verkiezingen! Het doet er allemaal niet toe. Niets verandert ooit in dit land.”

De jonge vrouw die ik even later later ontmoet bij een van Teherans grootste mediabedrijven, en die helpt om het bureaucratische gedeelte van onze reis af te handelen, lacht wanneer ik haar over de jongen op de fiets vertel. “Hij is een uitzondering, geloof me. Elk jaar zijn mensen hier meer en meer met politiek bezig. Zeker nu: het is echt het gespreksonderwerp op straat. Het is geen toeval dat je overal posters van Mousavi ziet: in Teheran houdt iedereen van hem. Het land is Ahmadinejad beu. Hij heeft niets gedaan voor het Iraanse volk, niets.” Of ze gelooft dat Mousavi ook gaat winnen op 12 juni? “Ja, dat geloof ik. Iran wil verandering en is er klaar voor. Dat zal u tijdens uw reis wel ontdekken.”

Ze draagt een donkerbruine sluier, maar aan haar voeten heeft ze zwarte sneakers van Adidas met knaloranje strepen, en aan haar linkerarm fonkelt een zilverkleurig horloge van Guess.

Van chador tot cha-cha

(volgende bijdrage is ook verschenen op de website van De Standaard: http://standaard.typepad.com/iran/)

“Verlang vurig naar iets! Zadel je paard en maak je klaar voor de ontdekkingstocht.” Deze verzen schreef de klassieke Perzische dichter Sanai eeuwen geleden neer, en vandaag zijn ze meer dan ooit op mij van toepassing. Het iets waar ik vurig naar verlang is mijn vertrek naar Iran, en maandag 1 juni is het eindelijk zover: samen met Pieter-Jan De Pue ga ik op reportage naar de Islamitische Republiek. Ons paard laten we thuis, maar klaar voor de ontdekkingstocht zijn we wél.

Het idee om met Pieter-Jan naar Iran te trekken ontstond vorig jaar bij deBuren, waar ik toen nog werkte. Ik wilde al langer door Iran reizen en daarover schrijven, en toen ik de foto’s van Afghanistan zag die Pieter-Jan bij deBuren tentoonstelde, wist ik meteen dat een gezamenlijke tocht door Iran wel eens heel mooie dingen zou kunnen opleveren. We trokken met ons voorstel naar de directeur van deBuren, en hij was erg enthousiast. Een paar maanden later klom ook het Fonds Pascal Decroos voor Bijzondere Journalistiek mee aan boord en werd een droom werkelijkheid.

Met deze reis willen we Iran van een andere kant laten zien. Als Iran onze media haalt, dan is dat bijna altijd om politieke redenen, en meestal is het dan de conservatieve of zelfs fanatieke kant die wordt belicht: Ahmadinejad wil Israël van de kaart vegen, het kernprogramma van Iran is wereldbedreigend, Roxana Saberi zit onterecht in de cel. Gevolg daarvan is dat in het Westen Iran al te vaak wordt gezien als een fanatiek land vol gesluierde vrouwen en bebaarde ayatollahs. Die zijn er natuurlijk wel, maar zo eenzijdig is het plaatje niet: Iran is volop in verandering. Anno 2009 staat het land op de grens tussen traditie en moderniteit, tussen isolement en openheid, tussen verleden en toekomst. Vrouwen dagen er de ayatollahs uit door hun sluier steeds verder naar achteren te schuiven, Iraanse weblogs schieten als paddestoelen uit de grond en zijn zelfs door geen honderdduizend mullahs uit te roeien, en het Museum voor Hedendaagse Kunst in Teheran opende in mei een tentoonstelling van moderne westerse kunst die sinds de Islamitische Revolutie niet meer vertoond werd.

Door ook het andere Iran te laten zien, willen we in woord en beeld tot een genuanceerd portret komen van een land dat volop in de kering is: enerzijds zijn er de traditionele en religieuze waarden; anderzijds zijn er de vele Iraanse jongeren – zeventig procent van de bevolking is er jonger dan 25 jaar – die lak hebben aan de islam en houden van Amerika, MTV, make-up en westerse literatuur. Geen beter moment dan verkiezingstijd om die twee kanten te belichten, want in de strijd tussen conservatieven en hervormingsgezinden komen de twee gezichten van Iran duidelijk naar voren.

Het zijn de stemmen van de gewone Iraniërs die we willen laten horen, Hoe ziet het leven in Iran er anno 2009 uit? Wat denken ze over hun land en hun toekomst? Wat maakt hen blij en waar zoeken ze hun geluk in een land waar zoveel verboden is? Welke boeken lezen ze? Naar welke muziek luisteren ze? Waar zoeken ze hun ontspanning?

We doen alle binnenlandse verplaatsingen per trein omdat we zoveel mogelijk samen met de gewone mensen onderweg willen zijn. Reizen per trein, schrijft Paul Theroux in zijn meest recente boek De grote spoorwegcarrousel retour (2008), heeft het voordeel dat je het land leert kennen zoals het werkelijk is: je hebt namelijk ook uitzicht op het achterland. En: “Luxe [is] de vijand van de observatie, een dure verstrooiing die zo’n lekker gevoel geeft dat je niets meer opmerkt. Luxe corrumpeert en werkt infantilisering in de hand, en voorkomt dat je de wereld leert kennen.”

Het vliegtuig zou ons veel tijd en ongemakken besparen, maar de reis gaat niet over onszelf. Net als Theroux willen we observeren, en dat kan honderd keer beter in de trein dan in het vliegtuig.
“And wisdom is a butterfly, and not a gloomy bird of prey”, zei de Britse dichter William Butler Yeats (En wijsheid is een vlinder, en niet een sombere roofvogel). Het vliegtuig vind ik maar een sombere roofvogel, maar de trein wordt straks onze vlinder door het Iraanse landschap.

Negentien doden bij bomaanslag op moskee in Iraanse stad Zahedan

Het dodental van de bomaanslag donderdagavond op de op één na grootste moskee voor sjiitische moslims in de Iraanse stad Zahedan is naar boven bijgesteld. Ali-Mohammad Azad, de gouverneur van de provincie Sistan en Baluchistan, heeft vrijdag tegen het persbureau IRNA gezegd dat negentien mensen om het leven zijn gekomen. Eerder werd nog uitgegaan van vijftien doden. Bij de aanslag in de Amir al-Momenin Moskee raakten nog volgens Ali-Mohammad Azad 125 mensen gewond. In de provincie zijn drie dagen van rouw afgekondigd.
De aanslag had plaats tijdens het avondgebed op een islamitische feestdag, twee weken voor de presidentsverkiezingen in Iran op 12 juni. De autoriteiten stellen dat enkele leden van een terroristische organisatie zijn aangehouden op verdenking van betrokkenheid bij de aanslag, en dat zij aan de vooravond van de verkiezingen onrust wilden zaaien, gebruik makend ‘van de onrust bij onze oosterburen’. Zahedan ligt vlakbij de grens met Pakistan en Afghanistan
Kort na de explosie vonden veiligheidsmedewerkers in de omgeving van de moskee een tweede, nog niet ontplofte bom. Die werd onschadelijk gemaakt.
bronnen: de Volkskrant, IRNA