Iran blokkeert toegang van twee VN-inspecteurs

Iran wil twee inspecteurs van het Internationaal Atoomenergie Agentschap (IAEA) niet toelaten tot het land. Dat heeft Ali Akbar Salehi, het hoofd van de Iraanse Atoomenergie Organisatie, maandag gezegd, aldus het Iraanse persbureau ISNA.

Volgens Salehi hebben de twee IAEA-medewerkers informatie over het Iraanse nucleaire programma gelekt. ‘Deze twee zijn geen aangewezen inspecteurs meer. De andere inspecteurs zijn natuurlijk nog wel welkom om ons een bezoek te brengen’, nuanceerde de Iraanse afgevaardigde aan het IAEA, Ali Asghar Soltanieh later. ‘De inspecties zullen zonder vertraging doorgaan.’

Volgens Salehi zou ook een rapportage van het IAEA over de nucleaire activiteiten van Iran onjuist zijn. In die notitie van eind mei stelde de VN-organisatie dat Iran voorbereidingen trof om hoger verrijkt uranium te produceren. Iran heeft niet gezegd welke passages uit het IAEA-rapport onjuist zijn.

De in Wenen gevestigde VN-organisatie heeft nog niet gereageerd op het besluit van Iran twee van de medewerkers van de nucleaire waakhond te weren.

Twee weken geleden heeft de VN-Veiligheidsraad Iran nog om zijn nucleaire programma bestraft. De maatregelen moeten voorkomen dat Iran de beschikking krijgt over kernwapens. Landen krijgen het recht schepen te onderzoeken, als het vermoeden bestaat dat deze verboden goederen transporteren naar Iran. Iraanse banken worden beter gecontroleerd, om te voorkomen dat ze een rol spelen bij de aankoop van nucleair materiaal door Teheran.

bron: de Volkskrant

Stuur dit artikel door

Neda’s dood en een sigaret-met-deodorant in Teheran

Een stille dag buiten, en ook een stille dag in mijn hart. Vandaag is het een jaar geleden dat Neda Agha Soltan in Teheran op straat werd neergeschoten. We hebben allemaal de videobeelden gezien van haar dood, maar steeds als ik er opnieuw mee geconfronteerd word, ben ik net zo misselijk als toen ik op televisie voor het eerst naar haar ogen keek waaruit plots alle leven wegstroomde – letterlijk en figuurlijk.

Ik was in Teheran toen ik de beelden van Neda’s dood zag. Op 20 juni ’s avonds laat kwamen we vanuit Shiraz weer aan in de hoofdstad, die een belegerde indruk maakte. In de taxi op weg naar het hotel wist ik toen nog niet dat Neda die dag was neergeschoten – informatie bereikte ons amper; mobiele telefoons en het internet waren geblokkeerd. Dat ik ’s avonds op mijn hotelkamer toch de beelden van Neda’s doodsstrijd zag, kwam omdat het hotel een satellietontvanger had, en ik dus ook naar een aantal Arabische zenders kon kijken.

In mijn boek Duizend-en-één dromen heb ik het als volgt beschreven:

Terwijl ik ’s avonds op bed een alcoholvrij biertje drink, zie ik op een Arabische televisiezender een beeld uit Teheran dat mijn adem afsnijdt. Een jonge vrouw wordt van dichtbij gefilmd met een mobiele telefoon terwijl ze dood ligt te gaan op de straatstenen. De beelden worden nog een paar keer getoond, en elke keer word ik misselijker. Een vrouw van mijn leeftijd, een vrouw zoals ik er tijdens mijn drie weken hier zoveel heb ontmoet, een vrouw die gewoon wilde leven en gelukkig zijn, ligt te sterven op straat. Het bloed stroomt uit haar lichaam en over haar gezicht, en plots blijft haar rechteroog wijd opengesperd. De vrouw wordt een porseleinen pop waarin geen hart meer klopt, en een symbool voor de strijd van miljoenen Iraniërs voor vrijheid. Neda betekent ‘stem’ in het Perzisch – symbolischer kan haast niet. Neda Agha Soltan is de stem geworden van miljoenen Iraniërs wier stem brutaal onderdrukt is. Ze werd neergeschoten door een basiji die zich had verscholen op het dak van een huis. Ik kan bijna niet bevatten dat dit alles gisteren heeft plaatsgevonden, op niet eens zo’n grote afstand van het hotel waar ik nu op bed zit met een nepbiertje. Ik voel immense woede mijn keel dichtsnoeren.

Ik vertel u hier iets wat in mijn boek niet staat. Toen ik de beelden had gezien, ging ik aan fotograaf Pieter-Jan De Pue vertellen wat er gebeurd was. Samen keken we nog een aantal keer naar de beelden op de televisie, en we zeiden niets. Plots doorbrak ik de stilte: “Ik heb zin in een glas bier.”

Pieter-Jan lachte eventjes luid. En ik lachte eventjes. We lachten uit ellende, we lachten om de pijn te vergeten van wat we net gezien hadden, we lachten om de angst te verjagen. Op de daken van Teheran weerklonk op dat moment luid de stem van een meisje dat ‘Allahu Akbar’ riep. Mijn hart bloedde. Mijn Iran was in oorlog, en ik kon niets doen – ik moest zelfs die nacht verplicht het land verlaten en de mensen die hun verhaal wilden vertelden noodgedwongen in de steek laten.

Bier hadden we niet, dus besloot ik maar de twee laatste sigaretten te roken uit het pakje Marlboro Light dat in mijn rugzak zat. Eigenlijk rook ik zelden, maar in Iran af en toe wel – die ‘geestelijke’ ontspanning had ik soms nodig. ‘Probleem’: mijn aansteker was leeg. Ik ging naar de receptie van het hotel: nee, ook zij hadden geen aansteker. Naar buiten durfde ik niet te gaan: het was al donker, en je als een van de laatste westerse journalisten in Teheran nu op straat begeven, was gewoon dom.

Pieter-Jan, avonturier pur sang, had plots een idee. We namen mijn deodorant en de aansteker, en met het gas dat uit de spuitbus kwam door lichtjes te spuiten, hadden we plots een grote steekvlam.

Ik herinner me hoe we schaterden van het lachen toen we eindelijk vuur hadden. Neda was dood, ik kon haar blik niet uit mijn hoofd krijgen, maar toch lachten we, en het was een van de meest bevreemdende momenten uit mijn leven. Ik wilde huilen, maar ook niet, omdat ik dan niet zou kunnen stoppen, dus deden we alles om toch maar even te lachen.

Neda is een jaar geleden overleden, maar ze is niet dood. Ze wilde een vrij Iran, en ik ben zeker dat haar gruwelijke dood daartoe zal bijdragen. Laten we haar niet vergeten en vaak naar het liedje luisteren dat Chris deBurgh voor haar heeft geschreven: Let there be joy where there was sorrow, let there be hope where there was none, and even as your life-blood flowed away, Neda, your heart is living on.

O Iran!

Voor de Volkskrant schreef de Afghaanse Nederlander Haroon Parvani een mooie column over volksliederen, naar aanleiding van het WK voetbal. ‘Recentelijk,’ aldus Parvani, ‘vroeg ik aan een aantal volbloed Nederlandse vrienden – intelligent, breed georiënteerd en hoogopgeleid – of ze het nationale volkslied uit het hoofd kenden. Hun rode wangen en verlegen blikken waren de voorbode van hun verbazingwekkende antwoord.’ Niet zo vreemd, aldus de auteur, want ‘dit lied symboliseert maar één Nederlander, nota bene een verwende prins, en niet de hele natie.’ En: ‘Nu staat de Nederlandse hymne mijlenver van het bed van de bevolking af. Nog erger is dat het gehoorzaamheid propageert in een land dat bekend staat om haar vrije geest. ‘

Het deed me denken aan het Iraanse volkslied: de Iraniërs hebben vandaag ook een officieel volkslied dat de meesten absoluut niet uit overtuiging meezingen en dat ver van hen afstaat – het merendeel van de Iraniërs is, ik vertel niets nieuws, absoluut geen voorstander van hun regime. Het huidige officiële volkslied van de Islamitische Republiek Iran kwam er in 1990, na de dood van ayatollah Khomeini, onder wiens bewind er een ander volkslied was – het aantal volksliederen in de recente geschiedenis van Iran is bijna niet meer op één hand te tellen. Onder de Pahlavi-dynastie (1933-1979) was er ‘Sorood-e Shahanshahi Iran’ of ‘De Keizerlijke saluut van Iran’ – wegens de wandaden van de shah ook al niet populair.

‘Ey Iran’ (O Iran), het volkslied van Iran van februari 1979 tot maart 1980 gedurende de transitieperiode tussen het bewind van de shah en dat van Khomeini, is echter nog steeds het populairste. Het heeft een grotere bekendheid onder Iraniërs dan het huidige of vorige volksliederen, vooral omdat het het enige volkslied is dat werkelijk Iran prijst. Veel Iraniërs verkiezen ‘Ey Iran’ omdat het over Iran gaat zonder politieke bijkomstigheden.

Beluister hier ‘Ey Iran’ en lees hier de Engelse vertaling van de tekst.

Los van politieke voorkeuren is mijn favoriete Iraanse volkslied echter dat van de Qajaren-dynastie, ‘Salamatiye shah’, dat u hier kan beluisteren en waarvan u hier de Nederlandse vertaling vindt. Als u mij ooit kan betrappen op zingen in het openbaar, dan is de kans groot dat het om dit lied gaat.

Mousavi roept op tot scheiding van religie en staat


De Iraanse oppositieleider Mir-Hossein Mousavi heeft vandaag op zijn website Kaleme.com een verklaring gepubliceerd waarin hij zijn visie voor de toekomst van ‘zijn’ Iran uiteenzet. De verklaring is een ‘charter van de Groene Beweging’.

Mousavi roept op tot de vervolging van zij die vorig jaar gefraudeerd hebben bij de verkiezingen, en zweert dat hij de Groene Beweging levendig zal houden. Hij roept ook op tot een einde van de betrokkenheid van politie en militairen in de politiek en tot de onafhankelijkheid van het gerechtelijke systeem.

De LATimes bericht dat in de PDF-versie van het charter nog een extra alinea stond, die uiteindelijk niet op de site van Mousavi verscheen maar wel het meest opvallende deel van de verklaring bevat: Mousavi roept daarin op tot een scheiding van religie en staat. “Dat,” aldus de oppositieleider, “is de enige optie om de verheven status van religie in de Iraanse samenleving te bewaren en het zal een van de belangrijkste punten op de agenda van de Groene Beweging zijn.”
Het is een van de meest hoopgevende zinnen uit Iran die ik de laatste tijd heb gehoord.

Gespannen sfeer op 25 Khordad in Iran


Afgelopen zaterdag was er in Iran de herdenking van de frauduleuze verkiezingen van 12 juni. Vandaag is opnieuw een belangrijke dag, namelijk de herdenking van ’25 Khordad’ of 15 juni 2009. Vorig jaar waren er toen in Teheran massale protesten tegen de uitslag van de presidentsverkiezingen, met miljoenen mensen die de straat opkwamen. Ik was toen in Yazd, en de Belgische ambassade belde me op met de mededeling dat we beter het land zouden verlaten, maar we bleven.

Of er vandaag protesten zullen zijn in Iran, is een vraag die velen bezighoudt, maar het regime heeft in elk geval weer goed zijn best gedaan om de oppositie en de Groene Beweging op stang te jagen. Zondag hebben Basiji en andere handlangers van het regime namelijk de kantoren en huizen van ayatollah Montazeri (overleden in december vorig jaar) en ayatollah Sanei aangevallen – twee vooraanstaande, hervormingsgezinde Iraanse geestelijken die zich kritisch uitlieten over het bewind van ayatollah Khamenei en president Ahmadinejad. Het is geen toeval dat de hardliners net nu hun verblijfplaatsen aanvielen: de voormalige presidentskandidaat en oppositieleider Mehdi Karroubi was zondag in Qom aangekomen om zijn respect te betuigen aan de overleden ayatollah Montazeri, en om ayatollah Sanei te bezoeken. De Iraanse oproerpolitie echter heeft maandag Karroubi ontzet. Aanhangers van de regering hadden het huis in Qom omsingeld waar hij verbleef. In de vroege ochtend maakte een aanzienlijk aantal leden van de oproerpolitie een wig in de omsingeling om te zorgen dat Karroubi in zijn auto kon passeren, aldus de website rajanews.com (foto bij dit bericht: Karroubi’s auto na de aanval). Terwijl de oppositieleider ontsnapte, schreeuwde de menigte leuzen tegen hem en de politie. Zij eisten de vervolging van de geestelijke.

Die andere Iraanse oppositieleider, Mir-Hossein Mousavi, bracht gisteren een verklaring (lees hier de Engelse vertaling) op zijn website Kaleme naar aanleiding van de aanvallen op de huizen van Montazeri en Sanei. Hij maakte daarin een heel treffende opmerking: “Is het regime vergeten dat het de aanval op het huis van ayatollah Khomeini was die de weg vrijmaakte voor de liquidatie van de wortels van de tirannie, op 6 juni 1963, en daarmee het fundament voor de revolutie van februari 1979 werd gelegd?”

Het is een verstandige vergelijking: op 3 juni 1963 stak ayatollah Khomeini een ziedende scheldtirade af tegen zijn vijand de shah, die zijn reputatie zou vestigen als de onbetwiste leider van de radicale islam. De datum was goed uitgekozen: op 3 juni vieren de sjiieten Ashura, het feest dat het martelaarschap herdenkt van de geliefde Imam Hossein, de kleinzoon van de profeet Mohammed. Khomeini vergeleek de shah met Yazid, de moordenaar van Hossein, suggereerde dat het Iraanse staatshoofd een agent van Israël was en sprak hem aan als “jij ellendige, miserabele man”. “Welk verband is er tussen de shah en Israël? Mijnheer de shah, misschien willen ze u afschilderen als een jood, zodat ik u een ongelovige kan verklaren en het volk u uit Iran zou gooien.” Twee dagen later, op 5 juni (Khordad 15), werd Khomeini in zijn huis in Qom gearresteerd, wat tot rellen in het hele land leidde. De zaadjes van de Islamitische Revolutie waren geplant.

Blijkbaar leert het regime dus niet uit het verleden. De aanval op de huizen van Montazeri en Sanei zijn het zoveelste bewijs van de absolute paniek waarin de Iraanse hardliners verkeren, en van mijn overtuiging dat hun liedje niet lang meer zal duren.

Stemmen in België, stemmen in Iran


Gisteren om zes uur uit de veren om in een stembureau ‘bijzitter’ te zijn voor de Belgische federale verkiezingen. Ik geef toe dat toen ik de oproepingsbrief kreeg om bijzitter te zijn, ik in het begin wat gemord heb, maar al snel besefte ik dat het eigenlijk een privilege is om zoiets te doen: we moeten nooit vergeten wat een voorrecht het is in een democratie te leven.

Ik had dus verwacht een mooie voormiddag te beleven, maar was eigenlijk behoorlijk ontgoocheld. Het viel me op hoeveel mensen tegen hun zin komen stemmen. Ik zag vooral jongeren diep zuchten toen ik hen de roze en gele stembrieven overhandigde. Ik zeg niet dat ik de ontgoocheling van velen in de Belgische politiek niet begrijp. Maar opmerkingen als ‘we zijn weer de helft van onze zondag’ kwijt stoorden me mateloos. Het deed me terugdenken aan mijn 13 juni in Iran vorig jaar, toen ik door de straten van Isfahan liep en voelde dat de doodse stilte er een voor de storm was: er was massale fraude bij de uitslag van de presidentsverkiezingen en Teheran stond al in brand. Daar en toen hunkerden mensen naar democratie; gisteren zag ik mensen de democratie al te vanzelfsprekend vinden.
De foto bovenaan dit bericht nam ik in Isfahan, op verkiezingsdag. De vreugde op het gezicht van de jongeren omdat ze mochten stemmen en hoopten op verandering kan niet sterker contrasteren met de vele lange gezichten die ik gisteren gezien heb.

Missen


‘Domweg gelukkig in de Dapperstraat’, schreef J.C. Bloem in zijn gelijknamige bekende gedicht. Wel, vorig jaar op dit tijdstip was ik domweg gelukkig in de Chahar Bagh-straat van Isfahan. Ik had een fantastische namiddag beleefd bij een Iraanse familie in de voorstad Shahinshahr – een ontmoeting die ik in mijn boek uitgebreid beschreven heb. Nu viel de avond en wandelde ik door de bekendste laan van mijn droomstad Isfahan, op weg naar de Si-o-se Pol of ‘de brug met 33 bogen’, waar veel Isfahani de avond doorbrengen en verliefde koppeltjes zich verstoppen onder de vele bogen.

In het gras langs de waterkant zat ik naar de verlichte brug te kijken. Ik hoorde twee jongemannen naast mij over de politiek praten: de dag nadien, 12 juni, mochten ze gaan stemmen, en ze waren opgetogen. De ene zei dat Mousavi zeker zou winnen. De ander knikte en lachte: ‘Dacht je dat ik dom was, misschien? Natuurlijk gaat hij winnen!’
De lucht zinderde van opwinding en verlangen, verlangen naar de dag van morgen, 12 juni, wanneer Iran mocht gaan stemmen en ze eindelijk nog eens voor wat verandering mochten kiezen. Uren heb ik daar gezeten, luisterend naar de gesprekken van de mensen, soms zelf met hen pratend, met thee en koekjes erbij.
Ik weet nog dat ik toen dacht: Hier kom ik binnenkort een tijdje wonen. Als ik terug in België ben, ga ik kijken hoe ik dat kan regelen.
Een jaar later heb ik al vijf keer een visum aangevraagd voor Iran, en al vijf keer ben ik geweigerd. Een jaar later mis ik Iran erg en kom ik tot deze vreemde vaststelling: dat het bestaat, van een land houden dat het jouwe niet is, er zo van houden dat je er zelfs in je dromen naartoe reist.

Khomeini onder een dikke laag stof

Vandaag volg ik de Nederlandse verkiezingen, denk ik aan de Belgische verkiezingen van zondag én rijd ik ook door het majestueuze berglandschap van de lange weg tussen Arak en Kashan, nu een jaar geleden.
Eigenlijk was het op 9 juni 2009 de bedoeling om per trein van Arak naar Kashan te reizen, maar daarvoor moesten we een omweg maken langs Qom (het Vaticaanstad van Iran, maar dan tien keer erger) en in die stad werden we urenlang opgepakt door de politie en daarna kordaat verzocht om niet te lang meer in de straten van de stad rond te hangen.Over de prachtige autotocht met taxichauffeur Hamid heb ik in Duizend-en-één dromen uitvoerig geschreven.
Ik wil het hier over iets anders hebben. Over iets moois wat ik beleefde in de tapijtweverij van Gholam Reza, een tachtigjarige man die nog elke dag met handen en voeten zijn zijden Perzische tapijten weeft. De weverij bevond zich in een kelder, en fotograaf Pieter-Jan en ikzelf zagen meteen het prachtige portret van ayatollah Khomeini dat er aan de muur hing, in een donker hoekje van de kelder, helemaal onder het stof. Voor wij ‘westerlingen’ natuurlijk een mooi symbool van wat ik al eerder had gemerkt tijdens mijn reis: dat ayatollah Khomeini in Iran helemaal niet zo geliefd is als wij hier wel denken – integendeel. Meestal hangt zijn portret aan de muur omdat Iraniërs geen andere keuze hebben.
Pieter-Jan maakte een opstelling om in de donkere kelder een foto van het bijna pop-artachtige portret te maken. Plots nam Gholam Reza een ladder en veegde hij met zijn rechterhand een deel van het dikke stof weg. Pieter-Jan gilde: “Na, na! Niet doen!” De man begreep het niet: moet een portret dan niet netjes zijn als je er een foto van maakt? Tegelijk las ik wat schaamte in zijn ogen: eigenlijk hadden de wevers nog nooit de moeite gedaan om het dikke stof weg te halen, en dat is natuurlijk veelzeggend.
Zelf nam ik dus ook een foto van het portret. Khomeini onder het stof. Laten we hopen dat we snel een portret van Khamenei onder het stof daarnaast kunnen hangen.

Het leven, de mens, de herinneringen, en Iran, nog steeds Iran


Belgisch zomerweer, al de hele dag. Ik stond op met de zon, daarna kwam er een plensbui, dan weer zon, en nu giet het water.

Het weer buiten past niet bij het weer in mijn hoofd. Ik verklaar mij nader: dezer dagen zit ik met mijn gedachten weer helemaal in Iran. Het is een jaar geleden dat ik er op reportage was, en blijkbaar zit de menselijke geest zo in mekaar dat wanneer iets een jaar geleden is, we er vaker aan terugdenken – daarop is immers het principe van verjaardagen gebaseerd.

Dag op dag een jaar geleden was ik voor het eerst in Arak, de stad die in het Westen vooral bekend is omwille van de kerncentrale die er gebouwd is. Van Arak herinner ik me onder andere dat het de meest ‘normale’ stad was die we tot dan toe bezochten: eerst kwam Teheran, en pas toen wist ik wat het woord ‘drukte’ betekende; daarna kwam Qom, en pas toen wist ik wat het woord ‘streng-islamitisch’ betekent.
Maar Arak, nee, Arak was anders. Arak hield het midden tussen Teheran en Qom, en ik voelde me er meteen op mijn gemak. Heerlijk vond ik het hoe de stad volledig omringd was door de bergen; er als een soort ‘kuil’ middenin lag. Ik zag bergen waar ik ook keek; bruingele bergen.
Toen ik op mijn eerste avond in Arak een heel lange wandeling door de stad maakte en de zon langzaam zag verdwijnen achter de bergen, had ik in mijn hoofd plots het beeld van een menselijke hand die het hoofdje van een baby omsluit, voorzichtig, zacht, beschermend. Zo voelden de bergen van Arak aan. Als een eeuwig, oeroud, menselijk gebaar, dat de steeds veranderlijke realiteit omhelst.
Toen het ’s avonds donker werd en ik alle hoekjes van de bazaar had verkend, kwamen er plots twee jongemannen naar me toe. Supporters van Mir-Hossein Mousavi. Nooit zal ik de baby vergeten die een van hen in zijn armen droeg. Eerst dat hoofdje van de baby in mijn gedachten, daarna deze echte baby, die de jongens beschermden en voor wie ze een betere en groenere toekomst wilden.
Alles is na 12 juni 2009 anders uitgedraaid dan we verwacht hadden. Maar de bergen van Arak zijn er nog, en op groen moeten wij, die van Iran houden, alleen nog maar een beetje wachten. Met geduld komen we er wel.
PS Vanaf nu zal ik op deze blog elke dag terugblikken op mijn reis.

Ik haat hen

Dagelijks lees ik met verbijstering en pijn getuigenissen van Iraniërs die in Evin (beruchte gevangenis in Teheran) en andere gevangenissen de vreselijkste folteringen ondergaan. Ik word er letterlijk misselijk van. Het enige sprankeltje hoop dat ik aan deze berichten kan vastknopen, is dat het regime wel erg bang moet zijn als ze steeds driester te werk gaan.

De getuigenis van deze gevangene moet ik absoluut de wereld insturen. Bahram Tasviri Khiabani is een van die vele dappere Iraniërs die ons wil laten weten hoe het eraan toe gaat achter de tralies van Iran. Hij heeft iets gedaan wat zijn situatie nog gevaarlijker kan maken: in Rajai Prison in Karaj heeft hij een videoboodschap opgenomen waarin hij getuigt over hoe hij er wordt mishandeld.
Ik dacht nooit dat ik haat kon voelen, maar ik voel steeds meer oneindige haat voor het Iraanse regime.
Maar ruze ma khahad amad, our time will come.
Hier volgt de Engelse vertaling van de videoboodschap van Bahram.

In the name of God, I am Bahram Girovani, the son of Mohammad. I went to the security offices to file a complaint about a situation. The day I went, Mr. Akharian (head of ward 1 in Rajai Shahr prison) got angry and threatened me. He hit me even though I begged him not to.

I asked him to please let me get in touch with my family. He said he would do it himself and asked for my number. He got my number and called my mother. He told my family that Bahram is dead and that they need to come to the hospital to pick up the corpse.

I was told that when my mother heard this news, she had a heart attack and got very sick. My family went to the hospital where they were told I wasn’t dead and they realized they had been lied to.

I was asked about who I gave my house number to and I responded that I had given it to Mr. Akharian. They said they would keep me for five days, and after a week, I asked them to please give me permission to get in touch with my family and allow me to take my medications. I had been under a physician’s care and was taking about 15 pills due to a medical condition, but they took those pills away.

I wasn’t feeling well and begged them to let me speak to someone in charge, but they did not allow me to do that. I got so sick both physically and mentally that I wanted to die. I attempted to light myself on fire, but they stopped me and sprayed tear gas in my cell. Then they opened the door and hit me in my face with batons. They used a fire extinguisher to put the fire out. When they sprayed the tear gas over the fire extinguisher gas, I wasn’t able to see anything anymore. I felt like I was going blind and I could barely breath.

They suddenly opened the door and started beating me in my face with wooden batons. Mr. Mirzaghayi, Mr. Zeynali, Mr. Yousefi and Mr. Moradi had all come and they were the ones beating me with batons. All of a sudden I saw that Mr. Moradi was holding a knife. I don’t know if he had just found it or if he had brought it to stab me. I don’t know.

I hit him hard in his hand and the knife fell to the ground. I picked it up to defend myself, but I had no chance to defend myself.

They all attacked me and hit me more, then they took me to a very dark room with no cameras. They beat me harder, tied me up, blindfolded me, tortured me, took my clothes off, hung me, and inserted batons inside of me. I kept pleading with them, begging them, asking them, “Isn’t there a God. Isn’t there a Prophet?” They responded, “We are God and we are the Prophet.”

I asked them if there was someone in charge in the place. They responded that they were they ones in charge. Mr. Mirzaghayi replied, “I have orders. I have orders from Mr. Akharian who has given me permission to do whatever I want.”

They kept beating me with their batons until they broke my legs. I was then taken into a room and left there all night, still naked with my hands tied behind my back. I was suffocating and in great pain because of my broken legs. By morning, my broken legs were bleeding badly and I begged them to take me to the prison clinic, but they refused.

After a month, the wound in one of my legs was infected all the way to my bone. They finally had to take me to the prison clinic. The doctor refused to touch my leg because it was so badly infected. I begged the doctor to help me. The doctor said if they performed surgery I would have to stay there to recover and they had been told that they were not allowed to keep me there for recovery. He didn’t want to take care of me, but I begged him. I kissed his hands and his feet.

Then I told him I would lodge a complaint against them. I asked him if Mr. Akharian had given the orders and he replied yes. Mr. Akharian had told him not to perform surgery. Mr. Gerami and Mr. Ali Mohammadi came. They all said it was out of their hands because they were under the strict orders of Mr. Akharian. So again I resorted to threatening them and said I would lodge a complaint.

I finally convinced them to let me receive an operation.

They took me back to solitary confinement until the day of my operation. I was in the prison clinic for four days.

Mr. Mirzaghai came to visit me and said, “That place where we stuck the batons into you still has not healed. Too bad. Does it hurt? We’re going to make it worse. Why did you have to complain? Why did you complain to the infirmary?”

The night before my operation they gave me some kind of pill that made my mouth go completely crooked. I wasn’t able to talk at all.

The doctors said to me, “That day when you got in all that trouble with those guys, you should have known better than to mess with them. They are the ones who told us to give you this medicine and do this to you. Now look at you. You are not allowed to make a phone call. You are not allowed to talk. You are not allowed to have any visitors. We’re taking care of you, but you don’t even deserve it. We should kill you. Just like we did with Siamak Bandeloo and other people who we killed by injection. We should kill you too.”

When they performed the surgery on me they shaved a large portion of my bone off, they cut the flesh, and they put a cast on it.

Yesterday when I came out, I was beaten again. They kept telling me I should have never complained. Mr. Mirzaghayi beat me up all over my body with a baton. I kept begging him to stop hitting me and I kept asking him why he is beating me again. He psychologically devastated me by cursing at me with very dishonourable words. He took away my dignity in front of all the other prisoners.

Then he dragged me and took me to Mr. Akharian. He told me if I don’t shut up they will continue to treat me like this. He said he would even bring my whole family here and throw all of them in prison too. “How dare you lodge a complaint,” he kept saying. He told me that if I consent to what they say, they would help me out. But if I refused, they would crush me, and this time, they would kill me.

Today they took me back to Mr. Akharian. They threatened me again and asked me to agree to their demands. They said, “If you don’t do it, not only will you not achieve anything, we will kill you and we will just throw your corpse out of here. There is nothing you can do here. The law enforcer is with us. He isn’t going to acknowledge anything that happened to you; not your broken legs and not the baton that we stuck into you. We are the ones in charge here. We tell them what to say.”

They also told my family that Rajai Shahr prison runs on its own. There is no authority over the prison. How about the head of the whole country, I wondered. But in this prison there is no government. There is no Islam. Here they kill people the same way they drink water. Here they have tortured people much worse than they have tortured me. They just beat everybody. They have tortured so many people, after which they force them to say whatever they demand. If anyone dares think of complaining, they will torture him even more.

Prisoners get thrown in a dark camera-less room that no one knows of and they get beaten up. If anyone asks about the prisoner, they lie and say he is at the infirmary or somewhere else. In that room, you are not given water, bread, or anything. There is no toilet.

There is just no logic to anything that the prison officials do. This place is worse than Kahrizak. There are no human rights here. There are no human beings in charge. There is no law.

There is nothing here. There is nothing.

They just kill people like they are drinking water.

I don’t know, just please help me.