Toen ik gisteren het grijzende gezicht van Mahmoud Ahmadinejad zag tijdens zijn inauguratie tot ‘president’, was het alsof ik een harde klap in mijn gezicht kreeg. En ik bén dan nog niet eens Iraniër, dacht ik – wat moeten de mensen niet voelen die in Iran wonen en elke dag tegen die man vechten, wat moeten de miljoenen Iraniërs niet denken die hun land op een dag moesten verlaten en verlangen om terug te keren naar een betere plek dan diegene die ze ooit achterlieten?
Vroeger dacht ik dat Ahmadinejad alleen maar een slechte acteur was. Dat hij niet écht zo dom is als hij overkomt. Toen ik hem gisteren vol minachting hoorde zeggen dat niemand in Iran wacht op de felicitaties van de westerse landen voor zijn ‘overwinning’, vond ik hem niet alleen arrogant, maar ook onnoemelijk dom.
Zoveel domheid doet me ontzettend veel pijn voor een land dat de oudste en rijkste beschaving ter wereld heeft. Zoveel domheid doet me pijn voor een land waar ik van hou. Zoveel domheid doet me pijn voor alle verstandige, rustige, ruimdenkende mensen die ik in Iran ontmoet heb en die dromen van een ander en beter leven.
Gisteren dacht ik aan de oude man in de bazaar van Kashan die tegen mij zei: Het was erg onder de shah, maar onder Ahmadinejad is het tien keer erger.
Gisteren dacht ik aan het jonge meisje in Meybod dat me zei: Deze president heeft me ziek gemaakt. Ik kan soms niet meer ademen als ik hem zie. Ik ben vergeten wie ik ben.
Gisteren dacht ik aan de vrouw van tachtig in Isfahan die me zei: Ahmadinejad is gek, ik schaam me, ik schaam me, wat denkt de wereld nu over ons?
Ik wil de vrouw geruststellen: de wereld denkt vandaag dat Iraniërs erg dappere mensen zijn. Sommigen beweren dat de inauguratie van Ahmadinejad het einde van het protest zal betekenen, maar dat geloof ik niet. Of er in Iran een nieuwe revolutie aan de gang is, dat zullen we pas later kunnen beoordelen, maar laat dit in elk geval duidelijk zijn: de miljoenen jongeren die de straat opgaan zullen niet slapen vooraleer ze weer trots kunnen zijn op hun land.
Ik kan het niet beter verwoorden dan met de woorden van de Perzische schrijver Hushang Golshiri, die in een interview met de Amerikaanse journaliste Elaine Sciolino het volgende zei over zijn land: “We wensen geen nieuwe revolutie. We verlangen naar een tijd waarin we in vrede kunnen schrijven. We willen het land niet verlaten. Deze keer is het aan hen om het land te verlaten. We zullen hen doden met onze pen. We zullen hen doden met onze aanwezigheid.”
Iraans
Khoda hafez
Gepost op zondag 21 juni 2009 om 11:22 op http://standaard.typepad.com/iran
Na een rondreis van twee weken door de provincie zijn we vannacht in Teheran aangekomen. De laatste dag in Shiraz was onvergetelijk: we bezochten de rustplaatsen van de klassieke Perzische dichters Saadi en Hafez. Bij het graf van Hafez was het druk, maar er was iets wat me meteen opviel: een jongeman zat op de grond en liet zijn hoofd rusten op de tombe van Hafez. Hij huilde en hield een roos in zijn hand.
Even later zit hij in de schaduw onder een boom en ga ik met hem praten. Hamid (20) studeert elektromechanica aan de Universiteit van Shiraz en komt elke week naar het graf van Hafez. “Hij is alles voor mij. Hij is mijn leermeester en mijn hoop. Hij leert me hoe ik moet leven en hoe ik moet liefhebben. Hij leert me om meer te zijn dan ik werkelijk ben. ” Ik vraag Hamid voorzichtig waarom hij daarnet huilde. Meteen springen de tranen in zijn ogen. “Het is een persoonlijk probleem. Maar Hafez heeft me geleerd dat als je echt van iemand houdt, je bereid moet zijn op hem of haar te wachten. Als je echte liefde voelt, kan je zelfs jaren op iemand wachten.”
De terugvlucht naar Teheran was de meest turbulente die ik ooit meemaakte: het vliegtuig verloor geregeld aan snelheid, de motor maakte vreemde geluiden en er hing angst in de lucht. Bij onze tussenstop in Isfahan moest iedereen uit het vliegtuig: er was een koffer in de bagageruimte waarvan men niet wist aan wie hij toebehoorde, en om alle risico’s te vermijden moest de koffer doorzocht worden.
Op Mehrabad Airport was het rustig, maar eenmaal in de taxi zagen we meteen dat Teheran niet meer de stad was die we twee weken geleden hadden achtergelaten. “Kijk naar alle stenen op straat,” zei de taxichauffeur. “Overblijfselen van de betoging van gisteren.” Overal waar we keken, zagen we politie.
Zoals verwacht hebben we geen visumverlenging meer gekregen: alle buitenlandse journalisten moeten het land uit eenmaal hun visum verstreken is. Voor ons is dat morgen, dus vannacht vliegen we terug naar huis. Een week of twee eerder dan gehoopt, maar een ding is zeker: als het hier wat rustiger is, komen we terug.
Ik bedank van harte iedereen die deze weblog heeft gevolgd en ervan genoten heeft.
Khoda hafez,
Tot snel
Ann en Pieter-Jan
Persepolis
Gepost op zaterdag 20 juni 2009 om 10:41 op http://standaard.typepad.com/iran
Over het oude Perzië had ik veel gelezen, meer nog misschien dan over het moderne Iran. Persian fire van Tom Holland is het boek dat ik in dit verband iedereen wil aanraden die op een historisch accurate en meeslepende manier kennis wil maken met het oude Perzische rijk.
Geen lectuur echter die mijn bezoek gisteren aan de sites van Persepolis en Pasargadae kan overtreffen. Het was groots en het was ontroerend. Het was in 518 voor Christus dat koning Darius I de bouwwerken aanvatte, en hoewel er van de stad (Takht-e Jamshid in het Perzisch) niet erg veel meer overblijft, is het niet moeilijk om er je er de monumentale grootsheid van voor te stellen.
Wat ik nooit zal vergeten, is mijn korte babbel met een koppel uit Isfahan dat Persepolis voor het eerst in hun leven bezocht. Wanneer ik hen vraag wat ze voelen, wijst de man om zich heen en antwoordt hij: “Dit zijn de bewijzen van ons glorieuze Perzische verleden. Het is prachtig, maar tegelijk doet het ons pijn om dit te zien. Kijk wie we ooit waren, en kijk wie we nu zijn. Voor de komst van de islam waren we Iraniërs, maar nu zouden we daaraan moeten beginnen twijfelen. Wat er vandaag in dit land gebeurt is zo pijnlijk dat we naar móesten komen. We hebben het gevoel dat we onze identiteit worden afgenomen. Hier kunnen we tenminste nog trots zijn op Iran, of toch op wat het land ooit was – een voorbeeld voor de wereld. Dat is het laatste wat we nu kunnen zeggen.”
Vandaag wordt onze laatste dag in de ‘provincie’. Vanavond nemen we het vliegtuig naar Teheran, waar we hopen nog een dag te kunnen blijven.
Het eeuwige Perzië
Gepost op vrijdag 19 juni 2009 om 08:19 op http://standaard.typepad.com/iran
Het is zes uur ’s morgens en ik sta met blote voeten in het natte zand. Voor mij ligt het water van de Perzische Golf te fonkelen in de ochtendzon. Af en toe rijdt een auto over het strand en drie jongens spelen handbal in de branding. We zijn aangekomen in de havenstad Bandar-Abbas en hebben daarmee het meest zuidelijke punt van onze tocht door Iran bereikt.
Een nachtelijke treinreis van tien uur in een bloedhete wagon heeft me geradbraakt, en om krachten op te doen gaan we ash – een soort Iraanse ontbijtsoep – eten in het centrum van Bandar-Abbas. Hossein, de eigenaar van de eetwinkel, staat erop om ons rond te leiden door zijn stad: hij ontmoet immers niet elke dag buitenlanders. Even later scheurt een oude motorboot met daarin Hossein, mezelf en enkele donkergekleurde Bandari’s over de Perzische Golf. We zijn op weg naar de Straat van Hormoz, een belangrijke scheepvaartroute voor aardolie uit de Golfregio die voor Iran van onschatbare strategische waarde is.
Hossein, grootvader van vier kleinkinderen, houdt al de hele tijd zijn rozenkrans vast en tuurt over het water. “Persian Gulf,” glimlacht hij. “Not Arab Gulf. De Arabieren proberen al een tijd de naam van deze wateren te veranderen, maar dat zal hen niet lukken. Weet je wat een van de grootste problemen van dit regime en van president Ahmadinejad is? Ze hebben geen respect voor de bevolking en voor ons grootse verleden. Persepolis, Cyrus de Grote, het Perzische wereldrijk: die woorden hebben voor Ahmadinejad helemaal geen betekenis.”
Hossein is diepgelovig, maar toch heeft hij – samen met zijn hele familie – voor Mousavi en dus tegen het regime gestemd. “Wanneer je erg religieus bent, zijn veel mensen verrast dat je voor Mousavi hebt gekozen. Maar hij is een betere moslim dan Ahmadinejad. In de Koran staat dat je het goede moet doen, terwijl deze president ons vier jaar lang alleen maar kwaad heeft berokkend. Ahmadinejad is meer met de Palestijnse kwestie bezig geweest dan met zijn eigen bevolking. Het land is er economisch erg slecht aan toe. Elke week zie ik uit Bandar-Abbas vrouwen vertrekken naar een van de Arabische staten in de Golf. Ze gaan er hun lichaam verkopen, omdat hier alleen maar armoede en werkloosheid is.”
Helemaal voorin onze boot begint een zwarte vrouw met een feloranje sluier plots uitbundig naar me te wuiven. “Ik ben Khadidje!”, schreeuwt ze in de wind. “O, je bent de vrouw van de profeet Mohammad!” roep ik terug. Ze schaterlacht, en Hossein legt kort zijn hand op mijn schouder om opnieuw mijn aandacht te trekken.
“Dit regime heeft onze profeet met jarenlange leugens diep beledigd. In alle grote steden van dit land protesteren mensen tegen de verkiezingsuitslag, en de regering denkt dat het gewoon om een studentenrevolte gaat, zoals we in 1997 al meemaakten. Maar nu zijn het niet alleen de studenten die op straat komen. De hele natie zal zich bij hen aansluiten. Er is een nieuwe revolutie in de maak, daar ben ik zeker van. Dit regime is tijdelijk, maar de kracht en grootsheid van Perzië zijn eeuwig. We zullen sterker uit deze crisis komen.”
Wanneer we voet aan land op het eiland Hormoz zetten en ik over mijn schouder naar het water kijk, doen de woorden van Hossein me even de tijdelijkheid van de politiek vergeten en is er een paar seconden lang alleen maar de onvergetelijk mooie, eeuwige Perzische Golf.
“Ahmadinejad komt zijn beloftes na”
Gepost op woensdag 17 juni 2009 om 14:40 op http://standaard.typepad.com/iran
Omdat de uitlaatgassen in het drukke centrum van Yazd de hitte ondraaglijk maken, zijn we de stad ontvlucht naar de Dakhmeh-ye Zartoshtiyun, of de Torens van Stilte. De woestijnstad Yazd is het hart van het zoroastrisme in Iran, en de Dakhmeh behoren tot de oudste overblijfselen van deze religie die hier voor de komst van de islam in de zevende eeuw de staatsgodsdienst was. In het preïslamitische Perzië geloofden de volgelingen van Zarathoestra dat om de puurheid van de aarde te eren men lichamen niet mocht begraven: de doden werden in open lucht achtergelaten in hoge torens, zodat roofvogels hen tot op het bot konden schoonmaken.
De Torens van Stilte hebben hun naam niet gestolen: ik hoor alleen wind, vogels en in de verte het vage geluid van auto’s en bromfietsen. Yazd ligt een paar honderd meter onder ons, en net wanneer ik de gids zeg dat we vandaag alleen op de wereld lijken, komen twee jongens de andere kant van de berg opgeklommen. Mohammad (21) en Masoud (30) wonen al hun hele leven in Yazd, maar nooit eerder hebben ze de Torens van Stilte bezocht. “Vandaag hadden we een dagje vrij, en we vonden dat het tijd was om iets nuttigs te doen,” lacht Masoud. Hij en Mohammad zijn gediplomeerde bouwvakkers, en beiden hebben ze een baan bij een constructiebedrijf dat Iraanse huizen van mozaïektegeltjes voorziet.
Masoud wrijft het zweet van zijn voorhoofd, zet zijn zonnebril af en kijkt me ernstig aan. “Khareji hasti, je bent buitenlander – wat vind je van de verkiezingen in Iran?” Ik kaats de bal terug en vraag hem op wie hij heeft gestemd. “Wat denk je?” antwoordt hij. Ik zeg dat ik vermoed dat hij een supporter is van Mousavi: hij draagt immers een zwart hemd, de kleur die veel aanhangers van Mousavi op dit moment dragen als teken van rouw. Hij lacht en schudt het hoofd: “Dat ik zwart draag, is puur toeval. Ik heb op Ahmadinejad gestemd en ben daar heel trots op.” Mohammad, die zich eerst wat op de achtergrond hield, komt dichterbij en knikt instemmend. “Ik heb ook voor Ahmadi gestemd. Er is geen andere keuze.” Waarom? Wat maakt hem in hun ogen zo geschikt als president van dit land? “Khube,” antwoordt Mohammad vol overtuiging, “kheili khube.” Ze vinden hem goed, heel goed, maar kunnen ze zich daar wat concreter over uitlaten? “Kijk,” neemt Masoud opnieuw het woord, “het is heel simpel. Ahmadinejad geeft om de armen, terwijl Mousavi alleen maar aan de middenklasse en de rijken denkt. Ik ken tientallen mensen die dankzij Ahmadi voor het eerst water en electriciteit in hun dorp hebben. Hij komt zijn beloftes na. Hier in Yazd heeft hij een brug aangelegd waar we al jaren zaten op te wachten. Hij is een man van de actie. En nog belangrijker: hij heeft lef. Heb je het debat op televisie gezien, waarin hij onze vroegere president Rafsanjani beschuldigde van corruptie? Fantastisch vond ik dat. Niemand in Iran durft zoiets hardop te zeggen, maar Ahmadinejad wel. Hij trekt zich niets aan van wat zijn tegenstanders van hem denken. Gisteren heeft hij zelfs gezegd dat Rafsanjani en Khatami hem hebben aangeboden om samen met hen in hun paleizen te gaan wonen, maar hij heeft geweigerd, omdat hij het liefst tussen de gewone mensen wil zijn. Dat vind ik mooi. Het ontroert me. Hij is een eenvoudige man. Wij begrijpen hem.”
Wanneer Mohammad me over zijn opleiding en zijn baan vertelt, vraag ik er of er op dit moment genoeg werk voor hen is. “Nee,” zegt hij. “Het gaat heel slecht. Er is weinig vraag naar wat wij doen en vaak moeten we tegen de helft van de prijs werken. Maar het is nu eenmaal zo. Het is kiezen tussen onderbetaald worden of helemaal niets verdienen.” Ik vraag of dit niet wat vreemd is: net zeiden ze dat Ahmadinejad goed is voor arme mensen en zijn beloftes nakomt, terwijl ze zelf moeten vechten om rond te komen? “Ahmadinejad kan niet alles oplossen,” haalt Mohammad zijn schouders op. Overal in de wereld is er crisis, maar het Westen doet alsof alle problemen in dit land de schuld zijn van Ahmadinejad.”
Over het Westen gesproken: Mohammad en Masoud geloven beiden dat de demonstraties in Teheran tegen de overwinning van Ahmadinejad gedirigeerd worden door Amerika. “Zij hebben alle belang bij een zwakke president,” zegt Masoud. “Ze misbruiken ons land. Er is geen sprake van dat Ahmadinejad de overwinning heeft gestolen. Ik ben er zeker van dat de protesten binnen een week afgelopen zullen zijn. Dan kan de rust terugkeren in dit land.” Wat bedoelt hij daarmee? “Gewoon, de normale manier van leven. Heb je gezien hoeveel meisjes de hijab niet respecteerden tijdens de verkiezingstijd? Dat stoorde me. Ze moeten zich islamitisch kleden. Dat is nu eenmaal de wet.”
Wanneer Masoud en Mohammad de berg weer willen afdalen, reiken ze onze gids de hand. Omdat mannen en vrouwen elkaar volgens de islam geen hand mogen geven, leg ik mijn recherhand op mijn hart en bedank ik hen, maar tot mijn verbazing komt Masoud naar me toe en geeft hij me een stevige handdruk.
Na twee weken in dit land moet ik er nog steeds aan wennen: in de Islamitische Republiek is niets ooit wat het lijkt.
Lachen met Reza
Gepost op dinsdag 16 juni 2009 om 18:17 op http://standaaard.typepad.com/iran
Dat er in tijden van politieke kommer en kwel in Iran ook nog plaats is voor humor, mocht ik vandaag ondervinden in het hotelletje in Yazd waar we verblijven. Toen we hier drie dagen geleden na een vermoeiende treinreis aankwamen, bleek de man achter de balie tot mijn grote verbazing Nederlands te spreken. Hij glimlachte breed en zei: “Goede dag! Iek heb twee kamers voor joelie!” Groot was uiteraard mijn verbazing, en nog groter de trots van Reza dat hij ons kon verwelkomen in onze eigen taal.
Reza is nooit in Belgie geweest, maar omdat in zijn hotel veel Belgische en Nederlandse toeristen komen, besloot hij op een dag om hen telkens naar een paar nieuwe zinnetjes te vragen. Na jaren heeft hij op die manier een basiskennis van het Nederlands opgedaan – naar eigen zeggen met veel hulp van de liedjes van Frank Boeijen.
Omdat we de kabab wat beu zijn, kookten we gisterenavond Belgisch, al was dat improviseren geblazen: aardappelen met een omelet-tomaat. Reza en onze gids genoten niettemin met volle teugen en “hadden nooit eerder zoiets gegeten”. Na het avondmaal vroeg Reza me wat verlegen of ik hem misschien wat nieuwe Nederlandse zinnetjes kon leren. Ikzelf zal alvast één zin van hem nooit vergeten. Toen we net aankwamen in het hotel en hij ons de sleutel van de kamer gaf, zei hij met een grijns op zijn gezicht in haast vlekkeloos Nederlands: “geen pis in de asbak en geen as in de pisbak”. Ik kan u verzekeren: zijn glimlach toen hij mijn schaterlach hoorde was goud waard.
Morgen vertrekken we naar Bandar-Abbas, een havenstad aan de Perzische Golf – een treinreis van tien uur wordt dat. Maar vanavond koken we nog als afscheid voor Reza spaghetti op zijn Belgisch-Perzisch.
Ook in Yazd is er stilaan verzet
Gepost op dinsdag 16 juni 2009 om 11:34 op http://standaard.typepad.com/iran
Sinds in Teheran massale protesten tegen de verkiezingsuitslag van afgelopen vrijdag zijn uitgebroken, krijg ik veel verontruste mailtjes van vrienden en familie. Of ik veilig ben, of ik iets merk van de onrust, hoe de situatie nu is?
Op dit moment zijn we in Yazd, een stad aan de rand van de Dasht-e Kavir en Dasht-e Lut woestijnen, en hier is het eigenlijk relatief rustig. Gisteren werd me in een aantal winkels verteld dat er een pro-Mousavidemonstratie was bij de Jameh-moskee, maar toen ik er meteen naartoe ging, was daar niets van te merken. Wel is er op straat meer en meer stil protest: vanmorgen zag ik een aantal mensen met in hun hals een sjaal met de groene kleur van Mousavi, mensen maken het vredesteken in onze richting en roepen ‘Mousavi’, en in de taxi’s wordt volop geklaagd over de huidige situatie.
Zelf hebben we het moeilijk om aan objectieve informatie te raken over wat op dit moment in Teheran en een aantal andere grote steden aan de hand is: de meeste nieuwssites zijn hier geblokkeerd. Ook het telefoonverkeer blijft een probleem: ik kan nog steeds geen sms’jes sturen. In het Iraanse journaal werden gisteren eerst beelden getoond van de protestmarsen in Teheran, en meteen daarna lieten ze Hillary Clinton zien, die zich uitsprak over de situatie in Iran. Protest in verband brengen met de Verenigde Staten en op die manier inmenging suggereren: duidelijker kon het niet.
In het internetcafe waar ik deze blog schrijf, is er ook stil verzet: onophoudelijk wordt hier het liede Yare dabestani gedraaid, dat de aanhangers van Mousavi tijdens de campagne zongen en dat ook ten tijde van de Islamitische Revolutie erg populair was:
“De sfeer is donker, jij en ik zijn vrienden, je bent mijn kameraad, wie anders dan jij kan mijn pijn verzachten. Onze handen zouden de woestijn van onze ongeletterdheid water moeten geven, het hart van de mensen die in deze woestijn leven is dood, onze handen zouden het gordijn dat ons zicht belemmert moeten scheuren.”
"De hoop is vermoord"
Gepost op dinsdag 16 juni 2009 om 11:00 op http://standaard.typepad.com/iran
Ze is zomaar een meisje dat aan de rand van de woestijnstad Yazd woont. Of nee, ik vergis me, eigenlijk is ze niet zomaar een meisje. Bij het Iraanse nationale ingangsexamen voor de universiteit eindigde ze bij de eerste vijftig, en dat op miljoenen deelnemers.
Sepideh – ‘hemel’ in het Perzisch – viel me meteen op toen ze ons kruiste. De warme wind speelde met de stof van haar lange zwarte chador en liet daardoor af en toe een glimp van haar strakke jeans en felgroene sneakers zien. Of zij misschien wist waar we water konden vinden, vroegen we, en vijf minuten later zaten we bij haar thuis op het tapijt. In haar gedrag bespeurde ik iets vreemds: onophoudelijk liep ze het huis rond en kwam ze de woonkamer binnen met telkens een andere Perzische lekkernij op een dienblad. Het leek alsof ze bang was om naast ons te komen zitten. Ze liet de tapijtjes zien die ze zelf geweven had, de gelooide geitenhuid waarmee ze boter maakt en de bronzen waterkoker die ze van haar voorouders had geërfd.
Wanneer ze na heel wat aandringen dan toch bij ons komt zitten, begint ze haar verhaal, zonder dat ik daarnaar gevraagd heb. “Ik ben gelukkig als ik buitenlanders in mijn huis kan uitnodigen. Het is mijn enige contact met de buitenwereld. Onze satelliet hebben we onlangs moeten weghalen: de politie deed er lastig over en de imam van de moskee zei dat het ongepast is dat een respectvolle familie van martelaren contact heeft met het Westen.”
Sepideh haalde een paar jaar geleden een Master in Psychologie aan de universiteit van Teheran en kon daarna aan de slag bij het Ministerie van Onderwijs. Een goedbetaalde baan, maar lang bleef het liedje niet duren. “Ik heb dit nooit eerder aan iemand verteld, maar ik denk dat ik het in de huidige omstandigheden gewoon móet doen. Ik ben ontslagen bij het Ministerie omdat ik make-up en nagellak gebruikte. Mijn baas zei dat ik een schande was voor de islam.” Ze speelt met de vele kleurrijke ringen om haar vingers. “Ik heb toen een zware depressie gehad. Soms kan ik het hier niet meer dragen en wil ik terug naar Teheran, maar hoe kan ik zomaar mijn familie achterlaten?
Haar hoge stem gaat plots nog scherper klinken. “Wat voor een land is dit eigenlijk? Ik rijd graag met de motorfiets, maar dat is ongepast voor een vrouw. Achterop mag ik zitten, dat wel, maar het stuur vasthouden is voorbehouden voor mannen. Als dat geen veelzeggend symbool is voor de Islamitische Republiek.”
Sinds haar ontslag bij het Ministerie werkt Sepideh nu als maatschappelijk assistente bij een NGO en moet ze met honderd dollar per maand zien rond te komen. “Het is erg moeilijk, en nu Ahmadinejad heeft gewonnen, heb ik nog maar weinig hoop. Ik kan het nog steeds niet geloven. Al onze waardigheid wordt ons afgenomen.” Wat als de kaarten toch plots anders komen te liggen en Mousavi de president van dit land wordt? Komt er dan verandering?
Sepideh slaat haar armen om haar knieën en kijkt naar buiten. “Misschien. Wie zal het zeggen? Veel Iraniërs durven niet meer te hopen, zeker niet na afgelopen vrijdag. De grootste misdaad van dit regime is dat ze onze hoop en daarmee onze menselijkheid hebben vermoord.”
Wanneer we terug in ons hotel aankomen, zit Sepideh tot onze verrassing op ons te wachten in de lobby: meteen nadat we vertrokken, is de politie bij haar langsgeweest. Toch wil ze dat ik haar verhaal neerschrijf: “Het is mijn plicht als Iraanse vrouw. Het is het enige wat ik kan doen. Vertel de mensen wat hier aan de hand is.”
"De maat is vol"
Gepost op zondag 14 juni 2009 om 10:31 op http://standaard.typepad.com/iran
Gisteren was het stil in Isfahan, maar tegen de avond was de politiek plots weer aanwezig in de straten van de stad. Een honderdtal fans van Ahmadinejad reden met hun scooters rondjes op het Naqsh-e Jahan plein en staken juichend de Iraanse vlag in de lucht. De meeste families die in het gras zaten te picknicken besteedden maar weinig aandacht aan de vreugdekreten.
Vanmorgen liepen we opnieuw Martin tegen het lijf, een jonge Britse rugzaktoerist die een paar dagen in Isfahan verblijft en straks samen met ons naar Yazd vertrekt. “I just can’t believe people remain so calm,” zei hij. “Ik vraag me af hoe lang het zal duren tot de protesten van Teheran naar hier overwaaien.” Martin zag gisteren in de vooravond hoe een vijftigtal aanhangers van Mousavi hun groene linten en vlaggen bovenhaalden en een demonstratie op gang probeerden te brengen, maar de politie kwam al snel tussenbeide.
Toen we net met Martin stonden te praten, kwam een man van een jaar of veertig naar ons toe, en de woede spatte uit zijn ogen. “Ahmadinejad is a fucking little shit,” zei hij. “It’s all lies. Don’t believe a word of it.”
Intussen doen steeds meer geruchten over massale verkiezingsfraude ronde. The Lede Blog, op de site van The New York Times, laat Iraniërs aan het woord over wat zij denken en meemaken. Nahid Siamdoust van Time Magazine vertelt bijvoorbeeld dat in Teheran hier en daar de kreet ‘Allah-o Akbar’ te horen is – net als ten tijde van de Revolutie. Een ander verhaal, dat intussen ook op straat de ronde doet, is dat Mousavi vrijdagnacht werd gebeld door het Ministerie van Binnenlandse Zaken met de mededeling dat hij de winnaar was, maar dat dat nog niet publiekelijk mocht worden meegedeeld. Mousavi negeerde die vraag en deelde wel mee dat hij gewonnen had. Een uur later liet het Ministerie van Binnenlandse Zaken weten dat Ahmadinejad de grote winnaar was, en dat terwijl nog maar twintig procent van de stemmen geteld was. Dat moment maakten we zelf mee toen we vrijdagnacht in het hotel naar de Iraanse televisie keken, en ik denk niet dat ik eerder in mijn leven zo verontwaardigd ben geweest als toen.
Tijdens de voorbije verkiezingscampagne heeft het Iraanse volk even van relatieve vrijheid kunnen proeven, maar nu slaat opnieuw de angst voor repressie toe. Zelf ondervinden we ook de veranderingen en de censuur: het internet werkt tergend langzaam of soms zelfs helemaal niet, websites als YouTube, Facebook en BBC zijn geblokkeerd, en telefoneren en sms’en is vaak onmogelijk.
Dat Iran een land van tegenstellingen is, dat wist ik al, en het is precies een van de dingen waarnaar we met deze reportage op zoek wilden gaan: enerzijds het traditionele Iran laten zien, en anderzijds het Iran dat volop bezig is met verandering. Zelfs in mijn meest pessimistische gedachten had ik niet kunnen geloven dat die verandering op zo’n pijnlijke manier zou worden tegengehouden.
“De Perzen zijn in hun recente geschiedenis al vaak vernederd,” zei Hamid me, een Mousavi-supporter die zijn volledige naam niet in de krant wil. Door buitenlandse machten en door onze eigen leiders. Maar dit hebben we nooit eerder meegemaakt. Ik geloof dat de maat nu echt vol is.”
Omdat ik in Iran geen toegang heb tot mijn eigen blog, verwijs ik uvoor mijn berichten uit Iran door naar dit adres:http://standaard.typepad.com/iran